Navigatie menu
zoeken
De toekomst van de Binnenstad
De toekomst van de Binnenstad
 DOSSIER TOEKOMST  Is de Binnenstad in 2040 nog wel
een woonwijk?

Over de Omgevingsvisie 2040 en de Ruimtelijke Structuur Utrecht 2040.

Is de binnenstad in 2040 nog wel een woonwijk?

Ben Nijssen | 28 mei 2021

In 2040 is wonen niet langer ‘leidend’ voor de Binnenstad. Het staat klip en klaar in de Ruimtelijke Structuur Utrecht 2040. De achtergrond is: in de Binnenstad hebben we dan te maken met een mix van functies.

In de Omgevingsvisie Binnenstad 2040 wordt voortgeborduurd vanuit deze stelling, die de gemeente in geen enkele andere wijk voor haar rekening zou durven nemen. De Binnenstadbewoners die zich in dit document hebben verdiept voelen dit feilloos aan. Ruim 1100 (!) mensen hebben bezwaar aangetekend. In de Volkskrant stond onlangs een uitgebreid interview met de wethouders Ruimtelijke Ordening van Amsterdam (Marieke van Doorninck) en Utrecht (Klaas Verschuure). Zij gingen in op een toekomstvisie voor hun binnenstad. Die visies liepen aardig parallel: de auto zou zoveel mogelijke verbannen moeten worden, zodat er meer ruimte zou komen voor fietsers en vooral voetgangers. Die ruimte zou ook veel aantrekkelijker gemaakt moeten worden om er te verblijven en bovenal ook groener als aanpassing op de klimaatverandering.

Bezoekers welkom
Als we echter naar het doel van deze maatregelen kijken, dan blijkt er een groot verschil tussen Amsterdam en Utrecht te bestaan. In Amsterdam is het aantal bezoekers zo groot geworden dat maatregelen moeten worden genomen om de stad weer terug te geven aan de bewoners. Daarom moet de buitenruimte voor hen ook aantrekkelijker worden. In Utrecht worden dezelfde maatregelen juist genomen om de Binnenstad aantrekkelijker te maken voor de bezoekers (!). Hoewel dit niet met zoveel woorden in de omgevingsvisie staat. Het wordt pas duidelijk als je de hele context kent. De bewoners verenigd in Binnenstad030 hebben hun reactie op de Omgevingsvisie samengevat in een flyer, die huis-aan-huis is verspreid. Ze hopen dat andere bewoners hun oproep om de Binnenstad leefbaar te houden ondersteunen. De gemeente heeft nauwelijks oog voor het belang van een stabiele bewonerspopulatie. Terwijl die zorgt voor een goed woonklimaat, maar ook voor een gezond economisch klimaat, sociale veiligheid vooral in de stillere uren, voor een aantrekkelijke omgeving, ook voor bezoekers. Maar ook voor het collectieve geheugen.

Goede mix
De bewonerssamenstelling moet een goede mix zijn van huishoudens met of zonder kinderen, alleenstaanden, woongroepen, eigenaren, huurders, uit alle rangen en standen, studenten, ouderen, autochtoon en allochtoon. De visie van de gemeente denkt alleen in aantallen woningen. De grote opgave in de stad is immers: 450.000 inwoners in 2040 waarvoor Utrecht wil bouwen tussen bestaande woningen. Om een stabiele populatie en een goede mix van bewoners te bereiken moet het woningbestand daarop afgestemd zijn en moet de woonomgeving aantrekkelijk zijn en rust bieden voor de bewoners. Dat kan alleen als de overlast van andere functies beperkt is. Achter de stelling, dat wonen niet leidend is in de Binnenstad, ligt de visie dat de Binnenstad van groot economisch belang is voor Utrecht. Daarvoor moeten volgens Binnenstad030 bewonersbelangen wijken. Wie in de Binnenstad wil wonen moet blijkbaar rekening houden met beperkingen.

In eerste instantie zien nieuwe bewoners vooral de positieve aspecten van een woning in het centrum en idealiseren ze hun woning en woonomgeving (ze moeten er immers ook een behoorlijke prijs voor betalen).

Na een aantal jaren blijken ze minder van die functies gebruik te maken dan gedacht en vallen de negatieve factoren en beperkingen meer op. Velen die niet in een heel goede en betaalbare woning wonen, besluiten weer uit de Binnenstad te vertrekken. Nu al leidt dit mechanisme al tot een eenvormige populatie die grotendeels uit alleenstaanden bestaat, naast veel (ultra) short stay bewoners.

De Omgevingsvisie buigt deze trend niet om. Er staan geen oplossingen in voor die gevallen waarin wonen schuurt met de overige functies in de Binnenstad. We hebben het dan over de bezoekersdruk, evenementen en horecaoverlast. De gemeente ziet bezoekers graag door stegen en hoven struinen, maar dat zijn nu juist die rustplekken voor de bewoners.

Minder mobiel
Er wordt ruimte gemaakt (voor nog meer bezoekers) door auto’s en fietsen zoveel mogelijk van de straten te houden. Maar als dat gebeurt door voetgangersgebieden uit te breiden, dan beperkt dat de mobiliteit van de bewoners. Positief is wel dat op zijn minst een deel van die vrijkomende ruimte ingevuld zal worden door groen. Er moet ook wel meer groen in de stad komen om de hittestress door de klimaatveranderingen te beperken.

De visie stoelt op toekomstvoorspellingen. Die gaan uit van positieve scenario’s. Maar wat als de econo mie zich minder goed ontwikkelt, of het winkelbestand steeds verder inkrimpt? Het gaat steeds over de groei van de stad – die brengt forse kosten met zich mee. Zal het Rijk wel mee willen financieren? Voorlopig is het nog een conceptvisie. Na de zomervakanties zal het college ingaan op alle binnengekomen zienswijzen en misschien wel wat ideeën overnemen. Daarna volgt er nog een discussie in de gemeenteraad en zijn er nog meer aanpassingen mogelijk.

 

De grote participatie operatie

Elaine Vis | maart 2021

In het concept Omgevingsvisie Binnenstad 2040 wordt een prachtig beeld geschetst van een groene, gezonde stad voor iedereen, met cultuur en zorg voor de schoonheid van het erfgoed. De dilemma’s waar de binnenstad mee te maken heeft worden nog niet opgelost. Het stuk geeft richting om na te denken over de toekomst.
Welke knelpunten straks de betrokkenen en beleidsmakers slapeloze nachten bezorgen is niet goed te voorspellen, het concept geeft alleen een richting aan in 26 denkrichtingen. De Binnenstadsgroep bestaande uit bewoners en betrokken organisaties uit het centrum, adviseerden de Gemeente. Een gesprek met enkelen van hen.

Arjan Kleuver vertegenwoordigt als voorzitter van Centrummanagement Utrecht (CMU) de retail, cultuur en horeca in de binnenstad. Hij kijkt vanuit de belangen van de ondernemers naar de Omgevingsvisie 2040. Arjan Kleuver woont in Lunetten, maar is nauw betrokken bij de Binnenstad. Hij was 12 jaar raadslid voor D66. 
Egbert Wesselink vertegenwoordigt Binnenstad030. Hij verdiepte zich o.a. in mobiliteit en schrijft mee aan de reactie op de zienswijze vanuit het gezichtspunt van de bewoners van de Binnenstad. Hiermee levert de bewonersactiegroep input voor het definitieve concept Omgevingsvisie Binnenstad 2040 dat in de zomer wordt verwacht. 
 
Een gedroomde toekomstvisie waar echt iedereen zich in kan vinden. Wie kan dáár nu iets op tegen hebben? ‘Fascinerend en leerzaam om dit proces mee te maken’, zegt Arjan Kleuver. ‘Je krijgt als lid van deze Binnenstadsgroep een heel ander beeld dan toen ik nog raadslid was. Afgelopen jaar ging over procesbegeleiding. Het sterkte mijn geloof dat wij moeten focussen op waar wij elkaar vinden’. Dat de inhoud nog niet aan de orde kwam vond hij zeer frustrerend en dat gold ook voor Egbert Wesselink. ‘Zeker, fascinerend hoeveel tijd en aandacht er in het proces van ophalen van informatie is gestoken, afgezet tegen de betrekkelijk geringe hoeveelheid uren dat er werkelijk uitwisseling met burgers is geweest. Wij moesten ook adviseren over het participatieproces. Dat is niet onze expertise. Het is mij niet zo duidelijk wat wij als bewonersgroep uiteindelijk precies hebben bijgedragen.’

De gemeente heeft de regie. De ambtenaren hebben de opgehaalde informatie in de visie ondergebracht. Als burger sta je op achterstand. Je spreekt vanuit een bepaalde ervaring en die sluit niet altijd aan bij wat ambtenaren nodig hebben voor de Omgevingsvisie. Er is veel vaststaand beleid en dat weet je als burger niet. Arjan Kleuver en Egbert Wesselink hebben beiden toch de indruk dat belangrijke aangeleverde informatie een plek heeft gevonden in het stuk. Het is natuurlijk één groot compromis. Dan blijven er altijd vragen over. Egbert: ‘Het is een grabbelton met minstens twaalf positieve denkrichtingen, maar hoe die tegen elkaar afgewogen worden staat er niet bij’. Arjan: ‘Een genuanceerd stuk, daardoor blijft de uitkomst open. De toekomst is ook open en ongewis. Je hebt daarom ruime kaders nodig’. De visie oogt misschien vaag, maar het voordeel is dat je met dit handvat flexibel op de toekomst in kan spelen. De ontwikkeling van de Binnenstad is niet vastgezet.  
 
Schuren hoort erbij
Op een aantal onderwerpen blijft het schuren, bijvoorbeeld tussen bepaalde vormen van ondernemen en wonen. CMU wil Utrecht beter op de kaart zetten met 30 procent meer regionale en landelijke bezoekers, die 3 uur langer in het centrum verblijven. Veel bewoners vinden dat deze commercialisering van de Binnenstad ten koste gaat van de woonfunctie. Toch, als het over bereikbaarheid gaat vinden bewoners en ondernemers zich nagenoeg helemaal. 
 
Arjan: ‘Het is een misvatting dat bereikbaarheid gelijk staat aan twintig Bmw’s voor een winkel. Dat vinden ondernemers al lang niet meer. De Binnenstad moet wel bereikbaar zijn voor fietsers, voetgangers en bestemmingsverkeer. Een touringcar die in Leidsche Rijn moet parkeren is geen goed idee. Schoolklassen kunnen dan nooit meer naar het Nijntje Museum. Het is wel zo dat bezoekers die met de auto naar de Binnenstad komen meer uitgeven dan mensen die lopend of op de fiets komen. Maar de fietser is zeker bij ons zeer welkom. Nu passeren er wel heel veel fietsers die niet per se in de binnenstad thuishoren.’
 
Egbert: ‘Inderdaad, de Binnenstad mag niet één groot voetgangersgebied worden. Er is een aanname dat er veel niet-bestemmingsverkeer de binnenstad in komt en dat dat geweerd kan worden. Maar er komt vrijwel niemand met de auto de stad in zonder dat dat moet. Het is dan ook nergens druk met auto’s. Er bestaat weinig verzet tegen het opheffen van parkeerplaatsen op drukke plekken. Maar waarom zou iemand die op de Pelmolenweg woont daar zijn auto niet mogen parkeren? Daar is ruimte genoeg.’
 
Arjan: ‘Je hebt ook kort parkeren; pakketbezorgers, schoonmakers, vuilniswagens. Als je een kop koffie wilt drinken op het terras dan is dat helaas niet altijd comfortabel. Toch ben ik het met Egbert eens dat het autoverkeer in de Binnenstad moet kunnen komen.'
 
Beiden spreken eensgezind over gebieden in de Binnenstad waar het rustig moet zijn en over het belang van de diversiteit van verschillende wijken. De angst voor Amsterdammisering (red. overname door toerisme) is er bij Arjan niet. ‘Je kan niet verwachten als je aan de Neude woont dat je dan nooit overlast van geluid hebt.’ Egbert ziet dat anders. ‘Vrijwel de hele Binnenstad heeft ook een woonfunctie. Als je die niet goed beschermt en tegelijkertijd zoveel mogelijk bezoekers naar een gecommercialiseerde Binnenstad trekt, verliest de Binnenstad zijn ziel’.
 
Rolluiken
Er zijn een dozijn straten waar onaanvaardbare nachtelijke overlast is, daar moet een oplossing gevonden worden. Egbert: ‘Daar is geen beleid op. Alle pleinen zijn inmiddels zuip- en feestpleinen geworden, dat is jammer, ook voor de schoonheid van de stad. De bewoners zijn de grootste investeerders van de stad. Een bewoonde stad is aantrekkelijk.' Arjan legt uit dat de meeste ondernemers echt niet in de binnenstad zitten om puur rijk te worden aan vet en bier. Dat is geen goed concept en dat weten de meeste ondernemers ook. ‘In de horeca kan je elkaar ontmoeten, verliefd worden en ontspannen. Economische activiteit is goed voor een stad. Retail verandert, misschien wordt er meer gewoond in de toekomst boven winkels, maar winkels blijven bestaan. Als je niet zorgt voor divers economisch aanbod dan wordt het een dode stad met dichte rolluiken’.
 
Tenslotte stipt Egbert de onderliggende aannames aan waarop de conceptvisie is gebaseerd. ‘Zoveel drukker gaat het niet worden. Waar wil Utrecht die 60.000 woningen bouwen? En Zoetermeer krijgt zijn Mall of the Netherlands (concurrent van Hoog Catharijne). Volgens voorzichtige schattingen zal de kantoorruimte met 20% dalen. Het gaat allemaal meevallen, om dan nu de stad al in te richten op de groei en alvast het voetgangersgebied uit te breiden is een slecht idee.’ 
 
Zorgwekkend
Eigen woningbezit in de Binnenstad was vorig jaar slechts 43 procent (red. bron Utrecht Monitor). Investeerders zien hun kans. Egbert: ‘Dat is een zorgwekkende ontwikkeling. Het zijn de bewoners die zich inzetten voor deze mooie stad. Mensen met commerciële belangen en stadsplanners willen doorgaans voorsorteren op verwachte ontwikkelingen. Bewoners zijn altijd al de ankers van de stad geweest.’ De bewonersfunctie zal bij de uitwerking van de visie een enorme rol spelen. ‘Uiteindelijk legt het stadskantoor een ei’, zoals Egbert het samenvat. 

 

De horecaman en de bewoner

Binnenstadsbewoner Peter Hustinx, actief bij Binnenstad030 en ingelezen op het gebied van de Ruimtelijke Strategie Utrecht en de problematiek rondom evenementenlocaties, spreekt met Pieter Honing. Pieter Honing is voorzitter Horeca Nederland, woont in de binnenstad en is franchisenemer van de Mc Donalds in het centrum. Hij zat in de Binnenstadsgroep die de concept Omgevingsvisie Binnenstad 2040 voorbereidde.
  
Wonen en economische bedrijvigheid stellen verschillende eisen aan de Binnenstad. Met name horeca kan botsen met een leefbare woonomgeving. Waar leg je de grenzen en hoe los je problemen op? Voor Peter Hustinx van Binnenstadsgroep 030 is het duidelijk. De gemeente is aan zet en moet de wet toepassen. Daarnaast moeten er creatieve oplossingen verzonnen worden voor de botsende functies van horeca en bewoning in de Binnenstad. De juiste horeca op de juiste plek. Pieter Honing, bewoner en horecaman, gelooft dat er altijd een spanningsveld zal blijven tussen horeca en bewoning. In zijn kringen verkondigt hij dat je als horecaondernemer niet alleen gastheer bent in de eigen zaak, maar ook gastheer voor de omgeving.
 
De horeca kan, in beginsel, prima leven met de concept Omgevingsvisie Binnenstad 2040. Pieter Honing: ‘Op details moet er gekeken worden hoe de stad zich gaat ontwikkelen, zodat je precies weet waar je terrassen kan hebben en waar zeker niet. Het is niet zo dat je kan zeggen ‘wij zijn van de feestpartij’. Ik snap dat wij in redelijkheid mee moeten denken.’ De notoire klagers over de horeca neemt hij niet serieus. ‘Je hele leven blijven zeuren is ingewikkeld voor jezelf, voor alle partijen. Het is namelijk wel zo dat de Binnenstad 17.000 inwoners telt en 30.000 studenten gebruik maken van het centrum. 7000 studenten volgen er college.’
 
De meeste binnenstadsbewoners ervaren horeca als een draak met twee koppen volgens Peter Hustinx. ‘De stad is ontstaan door een combinatie van bedrijvigheid en wonen. Dat moet ook zo blijven; dat is de essentie van de binnenstad. Horeca dient ook de binnenstadsbewoner. Overlast is het andere gezicht. Horeca brengt overlast mee en daar heb ik moeite mee. Mijn grootste punt is dat de gemeente nalaat om de grenzen bij overlast te bewaken. Daar heb ik meer moeite mee dan het feit dat er horeca is.’ De gemeente zou volgens Peter creatief moeten nadenken hoe de horeca beter in te passen in de verschillende woongebieden. Bijvoorbeeld door horeca en terrassen, zoals bijvoorbeeld in Leiden, als rustig, lawaaierig of ertussenin te waarderen. En vervolgens alleen een vergunning voor de juiste plek te geven.
 
Peter legt uit waarom het huidige vergunningenstelsel niet werkt. Samengevat: de grenzen tussen café en restaurant zijn soms vaag. Een restaurant heeft niet altijd een terras met een rustiger karakter dan een café. Daarom klopt het koppelen van een bepaalde overlastcategorie aan een bepaalde horecacategorie niet. Er zou gekeken moeten worden naar het feitelijke gebruik. Dan is er nog een punt. In de wet staat dat een gemeente aandacht moet schenken aan de schadelijke gevolgen van de activiteiten waar zij een vergunning voor verleent. De toegestane geluidswaarden zijn in het Activiteitenbesluit per inrichting, dus ook voor de horeca, beschreven. Er worden een paar uitzonderingen genoemd, zoals onverwarmde en onoverdekte terrassen en het komen en gaan van bezoekers vanuit horecagelegenheden. Daardoor wordt menselijk stemgeluid niet meegerekend in de geluidsbelasting die wordt gemeten bij horeca met een onverwarmd en niet overdekt terras. Deze richtlijn is ontstaan omdat geluidsbelasting door het menselijk stemgeluid (vrijwel) altijd de normen overtreedt. De gemeente kán in deze situaties niet handhavend optreden als een vergunning verleend is en aan de voorschriften daarvan is voldaan. Daarom zou de gemeente idealiter bij het verlenen van de vergunning wél rekening moet houden met de overlast die te verwachten is. Peter: ‘Enige overlast mag iedereen verwachten, maar de grens ligt in ieder geval bij het moment dat die overlast schadelijk voor de gezondheid is. Het is aan de gemeente die grenzen te bewaken. Niet achteraf, maar vooraf bij het verlenen van de vergunning.’
 
Volgens Pieter Honing ligt een deel van de oplossing erin om woningen op bepaalde plekken met subsidie te voorzien van dubbel glas of geluidsisolatie. Zelf woont hij in de binnenstad boven een terras, heeft het appartement goed geïsoleerd en slaapt aan de achterkant. ‘Niet iedereen kan dat, dat snap ik, maar je kunt een stad niet vergrendelen als bewonersstad en geen feest meer vieren. In lengte van dagen zullen bewoners en ondernemingen in de stad elkaar moeten zien te vinden.’

Peter Hustinx legt de nadruk op de rol van de overheid. ‘Je zou kunnen zeggen dat je terrassen met een beetje overlast moet tolereren. Geluidsoverlast kan incidenteel zijn. Dat een bewoner doorgaans door de geluidsoverlast niet meer kan slapen is een andere kwestie. De gemiddelde Nederlander gaat om 22.20 uur naar bed, stadsbewoners iets later’. Pieter: ‘Dit is een studentenstad, die gaan echt niet om 22.20 uur naar bed.’ Peter: ‘Als de gemeente de sluiting van de tijdelijke uitbreiding van de terrassen in coronatijd op 23:00 uur heeft gezet dan moet je daar niet over klagen. Maar dat geldt niet voor de gegunde terrassen van voor de corona. Als daar overlast is moet er een oplossing komen.’
 
Peter vertelt een mooi verhaal over de bewoners van de Nieuwegracht die in gesprek gingen toen Rubens Proeflokaal aan het einde van de gracht een terrasvergunning aanvroeg. Op slechts twee punten waren bewoners en eigenaar het niet helemaal eens; de bewoners zagen een vergunning voor onbepaalde tijd niet zitten en wilden graag dat de zaak om 23 uur dicht ging. Eigenaar Wim had middernacht in het hoofd. De gemeente hakte de knoop door en gaf de bewoners de zin. Wim is er ook tevreden mee en heeft zijn terras. Pieter vertelt hoe de buren onder, boven en naast zijn horecagelegenheden zijn telefoonnummer hebben. Met een arrogante houding ben je geen goede ondernemer volgens hem. 
 
De intenties om elkaar te vinden zijn er, maar het blijft complex. Is de horeca niet een rupsje-nooit-genoeg, die almaar wil uitbreiden en groeien? Pieter: ‘Wij zijn niet op groeimodellen gebaseerd, wij anticiperen op de maatschappelijke ontwikkelingen. Kijk maar naar de gemaksvoeding, eten thuis bestellen. Wij spelen daarop in. Ik geloof heilig dat het hedonisme hoogtijd gaat vieren na corona. Na een paar jaar vlakt het dan weer af.’ 
 
Pieter heeft 15 jaar geleden Utrecht leren kennen als warme stad, waar je samen met de overheid de stad kan maken. ‘In vergelijking met Amsterdam is Utrecht een dorp, iedereen kent elkaar. Laten wij dat en het aspect van een woon- werkstad vasthouden. De stad zal gegroeid zijn in 2040, dat kunnen wij niet ontkennen. Laten wij daar de horeca neerzetten, waar iedereen er gebruik van kan maken zonder al te veel overlast.’ Peter: ‘Dat is ook uit mijn hart gegrepen. Maar ik ben bang dat de realiteit anders uitpakt als de horeca in handen genomen wordt door ketens. Want die hebben maar één bottom line en dat zijn de financiën, en de eigenaar zit ver weg’.

 

De student en de bewoner

In het derde gesprek rondom de concept Omgevingsvisie Binnenstad 2040 ontmoeten Jeanne Bogers en Stan Liebrand elkaar. Jeanne Bogers is actief bij Binnenstad030. Zij heeft in Utrecht gestudeerd en woont nog steeds in het centrum. Het is een goede uitvalbasis, zij werkt als interimmanager door heel het land. Stan Liebrand is voorzitter van studentenplatform Vidius en behartigt de belangen van studenten in Utrecht. Hij woont net buiten de Binnenstad.
 
‘Dat zegt toch wat’ volgens Jeanne Bogers, ‘Vijfentwintig mensen in de Binnenstadsgroep en dan maar twee namens de bewoners’. Ondanks dat het positief was om met anderen om tafel te zitten als voorbereiding op de concept Omgevingsvisie Binnenstad 2040, zag zij de beperking. ‘Je bemoeit je met het proces en weinig met de inhoud’. Ook Stan vraagt zich af of deze Binnenstadsgroep wel een weerspiegeling van de bewoners van de Binnenstad was.

Rond de 30.000 studerenden in Utrecht. Voor de nieuwe studenten de eerste stad nadat zij, in een hele spannende tijd in hun leven, het ouderlijk huis hebben verlaten. Dat verbind je aan de plek. Als het kan, wonen studenten hier een jaar of zes, een aanzienlijk deel blijft daarna ‘hangen’. Utrecht is de stad met het hoogste aantal hoogopgeleiden.

Jeanne geniet van de jaarlijkse nieuwe lichting die elk jaar de stad bevolken, maar soms heeft ze er overlast van. Dan gaat ze in de nacht de straat op om te vragen of de studenten een ander plekje willen zoeken. ‘Verbaasd kijken ze dan om zich heen en vragen, alsof ze uit een andere wereld komen, ‘maar waar slaapt u dan’? Het besef dat er hier ook mensen wonen is er dan nog niet.

‘Jullie vertegenwoordigen studentenverenigingen die doorgaans een recreatief profiel representeren. Niet dat ik iets tegen horeca heb, maar er is natuurlijk wel overlast’, zegt Jeanne tegen Stan. Stan ‘Het hartje van ons stadsie, kom op Jeanne! Ik herken die overlast op sommige plekken, maar ik denk dat wij voor 90% van dezelfde dingen houden. Je gaat hier niet wonen als je niet van de bruisende stad houdt. Het academische karakter, verweven met de universiteit, maakt Utrecht de stad wie ze is. Ouderen genieten ook van de levendigheid die studenten meebrengen. En sommige studenten houden van rust. Studenten die alleen maar overlast geven en ouderen die alleen maar rust willen is te zwart-wit gesteld’.
 
Dat de plek en de beleving met elkaar moeten samenvallen zijn ze met elkaar eens. Nederlandse kampioenschappen polsstokspringen op het Domplein, terwijl er een promotie of oratie is, vinden zij niet goed passen. Hoe dan om te gaan met het uitgaansleven en evenementen in een centrum waar gewoond wordt? In de omgevingsvisie wordt voorgesteld om in het Beurskwartier het nachtleven te centreren. Er zullen in 2040 30% meer bezoekers zijn. Op (vervoers)knooppunten in heel Utrecht komen meer voorzieningen, zodat het centrum niet onnodig overladen wordt. Maar de vraag is of dat het centrum voldoende ontlast. Bijvoorbeeld; in de aangrenzende wijken van de Binnenstad gaan de restaurants om 23 uur dicht. Het bijbehorende terras dus ook. Bezoekers zullen dan snel weer in de binnenstad hun vertier zoeken.De Uithof is een nieuw centrum, maar nog geen volledige wijk. Uitgaan kan je er niet en er is zelfs geen supermarkt. De dichtstbijzijnde is op de Burgemeester Reigerstraat. Als studenten dan boodschappen moeten doen gaan ze liever naar de binnenstad, ‘want’ zegt Stan ‘de sfeer van de oude stad is aantrekkelijk. Dat kan je niet nabootsen in de Uithof’.

Short stay stallen
Hij vraagt zicht af hoe het in het kader van de mobiliteit met de fietsstromen moet. Al het verkeer gaat door de binnenstad. ‘Op die mooie sfeerimpressies uit de concept Omgevingsvisie Binnenstad 2040 zie je weinig fietsverkeer. Jeanne ‘Het grootste knelpunt qua fiets is de hoeveelheid op de binnenstadsas van oost naar west. In het mobiliteitsplan gaat men de fietsers die niet in het centrum moeten zijn omleiden. Maar hoe is dat als mensen ergens in de binnenstad moeten zijn? Bewonersactiegroep Binnenstad 030 wil de fiets écht in de binnenstad houden. Uit ervaring weet ik dat je met de fiets, met kinderen en boodschappen, wel ergens moeten kunnen komen als je hier woont. Anders wordt het hier een soort museum’. Wij hebben het over kleinschalige fietsenstallingen. Stan en Jeanne kunnen zich vinden en gaan voor short stay fietsenstallingen voor een winkel. Je koopt iets en bent meteen weer weg.

Splitsen
En dan komen de huisvestingsproblemen van studenten ter tafel. Die spelen al een jaar of vijftig. In de denkrichtingen die de omgevingsvisie aandraagt komt de studentenhuisvesting niet goed uit de verf. Behalve studenten verblijven er ook veel expats in het centrum. 1 op de 5 is expat (bron WistUdata). De markt speelt daarop in. Er worden woningen gesplitst. Gevolg; je kunt geen gezin meer huisvesten. Maar in de binnenstad heb je ook jonge bewoners rond de 35 jaar, ideale leeftijd om een gezin te stichten. Die moeten nu ergens anders heen omdat er geen geschikte woningen in de Binnenstad zijn. Terwijl een diverse wijk ook van belang is en bovendien een van de speerpunten in de omgevingsvisie.
 
Stan ‘80% van de vraag naar wonen in de binnenstad komt van studenten en starters. Aan het splitsen van woningen om er eenkamer-studio’s van te maken voor 800 euro per maand hebben wij niets. Studenten wonen namelijk in het algemeen het liefst samen, met gedeelde voorzieningen. Maar omdat de vraag naar huisvesting zo groot is, accepteert men nu kleine studio’s voor 800 euro per maand. De maatschappij betaalt in dat geval, als het ware, de huurtoeslag aan de eigenaar. Als student zit je klem, het is dit of elke dag met de trein’.

Huurslag is niet te krijgen voor onzelfstandige wooneenheden en wel voor zelfstandige wooneenheden. Daar gaat het beleidsmatig fout. Er worden zelfstandige wooneenheden gebouwd terwijl de vraag ligt bij de onzelfstandige wooneenheden.

Delen
Jeanne ‘Wij moeten ervan af dat het soort woning bepaalt wat voor soort mensen erin komen te zitten. Ik denk weleens laconiek ‘ik ben begonnen op een kamer en eindig er ook weer’. ‘Als er in de binnenstad een groot gebouw vrijkomt zou het goed zijn om met meer mensen te wonen en voorzieningen te delen. Wij moeten anders leren denken over wonen, dan kunnen wij veel meer voor elkaar betekenen’. 

De gemeente heeft de intentie om zich te bemoeien met de vastgoedmarkt in de Binnenstad. Jeanne ‘Daar ben ik enthousiast over. De helft van de stad is niet meer in particuliere handen. Leegkomende panden worden meteen opgekocht. Dan krijg je een briefje in de bus ‘belangstelling voor de woning’, maar zij willen gewoon een speculatieobject opkopen.’

‘Ik zeg altijd je hebt altijd mensen die willen verdienen aan de stad en mensen die voor de stad willen zorgen. Dat moet een beetje in evenwicht met elkaar zijn. Als het alleen om de centen gaat krijg je een situatie dat mensen het niet meer kunnen betalen. Politieagenten en verzorgend personeel kan hier al niet meer wonen. Ik denk dat er fors ingegrepen moeten worden in de vastgoedmarkt. Bijvoorbeeld acuut een splitsingsverbod voor de binnenstad, tenzij voor groepsbewoning’.

Stan ‘Er zijn meer overeenkomsten tussen ons dan je denkt. De Binnenstad is ons gezamenlijke, publieke domein en niet een investeringsproject. De wijk moet aan zowel bewoners als aan bezoekers ten goede komen. Met dat woord ‘huiskamer’ uit de concept omgevingsvisie Binnenstad 2040 ben ik het wel eens. Horeca en cultuur, maar wel in balans’. Jeanne ‘Die dorpse sfeer is kneuterig en leuk. Maar ‘huiskamer’, wie heeft er nou altijd de voordeur openstaan?!’ 
 


 
 

< naar dossiers-overzicht

Scrhijf je in voor de nieuwsbrief
Eerder verschenen papieren uitgaven
Wervendossier
Het nieuwe bouwen
De toekomst van de Binnenstad