Navigatie menu
zoeken
Verhalen van een babyboomer
Verhalen van een babyboomer
 VERHALEN  Dennengeur en kots

Schrijver Bert Plomp is een Utrechtse babyboomer. Hij is geboren op nieuwjaarsdag 1948. Zijn ouders waren beiden officier bij het Leger des Heils en hadden de leiding over de afdeling Utrecht. Het hoofdkwartier was gevestigd aan de Lange Nieuwstraat en daar vangt het turbulente leven van Bert aan. Bert Plomp heeft een ijzeren geheugen en zal regelmatig zijn nostalgische verhalen over zijn belevenissen in de Binnenstad met ons delen.

Dennengeur en Kots


23 december 2022 | Bert Plomp

December is voor mij de gezelligste maand van het jaar. Dat was vroeger in de jaren vijftig-zeventig zo, zo is het nog steeds en zo zal het ook wel blijven.
Omdat sinterklaas vroeger, thuis bij mijn ouders, zo goed als niets voorstelde en er op die dag zelden iets van betekenis uit te pakken viel, vond ik de dagen rond kerst en oud en nieuw veel gezelliger.
In de jaren vijftig-zestig was het heel ongebruikelijk om elkaar, vanwege het kerstfeest, met cadeautjes te overladen. De geboorte van het kindeke Jezus stond voorop en werd als een meer dan afdoend cadeau voor de hele mensheid beschouwd. Zodoende hoefde ik me niet te generen tegenover andere kinderen, omdat er voor mij niets onder de boom lag te wachten.
Zodra de man met de mijter zijn hielen had gelicht en het kindeke aan zijn jaarlijkse opmars was begonnen, werden er overal in de stad enorme kerstbomen geplaatst. Die bomen werden er door de gemeente neergezet en opgetuigd met honderden lampjes. Vooral de prachtig verlichte kerstboom op het Domplein, met op de achtergrond de donkere silhouetten van de majestueuze Domtoren, maakte altijd veel indruk op mij.

Ofschoon die boom stond opgesloten tussen enorme stedelijke muren, rook je terstond over het hele plein de heerlijk prikkelende, frisse geur van een naaldbos.
Als het rond een uur of vier ‘s middags begon te donkeren en de lichtjes ontstoken werden, leek het net of er bij de passanten op het plein ook een knop werd omgedraaid. Iedereen verkeerde prompt in een opgewekte stemming. Alsof met het branden van de kerstverlichting de mensen op straat direct meer sympathie voor elkaar opvatten.
De brandende kerstboom had als bijkomend voordeel, dat er door het extra licht wat langer gevoetbald kon worden op het Domplein. Ofschoon de lengte van het speelveld, door de ruimte die de boom in beslag nam, wel belangrijk was ingekort.

kerst-in-utrecht-utrechts-archief-1Kerstbomenverkoop op het Janskerkhof rond 1960 © Het Utrechts Archief

De laatste dag voor de kerstvakantie vond ik de mooiste schooldag van het jaar. Op die dag gingen we op de lagere school niet alleen vroeger naar huis, maar werd ook ieders kerststukje aan de openbaarheid prijsgegeven. Deze zelf gefabriceerde decoraties waren in de weken voorafgaande aan de vakantie gemaakt. Uitgerust met een echte, brandende kaars, stonden ze tentoongesteld op de tafeltjes in alle klassen. Door de hele school hing een heerlijke geur van vers dennengroen en brandend kaarsvet.
Na een mooi kerstverhaal van je onderwijzer, welke voordracht vergezeld ging van een mok warme chocolademelk en een beboterde snee krentenbrood met spijs, vond in de aula van de school de algemene, afsluitende kerstviering plaats. Bij die finale voerden de leerlingen van de hoogste klassen een zelf geregisseerd toneelstukje op. Met het stuk ‘De Heer is mijn Herder’, heb ik ooit furore gemaakt en een blijvende indruk op medeleerlingen en onderwijzers nagelaten.

Thuis was het gedurende de kerstperiode ook best gezellig. Hoewel ik alle kerstmuziek, die via de radio vanaf het Leger des Heils en andere christelijke instituten tot ons kwam, toen niet zo kon appreciëren. Toch zorgde die muziek wel voor een vredige stemming in huis. Een stemming die er anders ver te zoeken was. Er werden spelletjes gedaan en er waren lekkere hapjes te nuttigen.

Kerstavond ging ik, tezamen met de andere gezinsleden, naar de kerstdienst in de Domkerk. Te midden van talloze grote brandende kaarsen zong het koor, waarvan een van mijn tantes deel uitmaakte, tal van hartverwarmende kerstliederen. Een oom luisterde het geheel op met zijn spel op het grote kerkorgel. Na afloop van de dienst, terwijl het gelui van de grote klokken van de Dom over de stad dreunde, spoedden we ons huiswaarts. Daar aangekomen, werden we steevast verblijd met een dik beboterde snee kerststol en een mok warme chocola. Van die snee at ik altijd eerst het krentenbrood rond de amandelspijs weg. Ik bewaarde de zoete vulling voor de laatste paar happen. Anderen smeerden de spijs juist uit over de hele plak of lepelde die er eerst uit. Ik hield liever het lekkerste over voor het laatst.
Ik moet bekennen, dat ik die traditie nog steeds in ere hou. Er zijn maar weinig traktaties waar je mij een groter plezier mee kunt doen. Daarbij, op de achtergrond, kerstmuziek afspelen van een brassband van het Leger des Heils, maakt het geheel compleet.
Na verorbering van de kerststol, was het de hoogste tijd om het kindeke eer aan te doen. Aanvankelijk werd er via de radio, in latere jaren via de tv, geestelijk contact gezocht met het manneke in het kribje. Die verbinding werd tot stand gebracht door af te stemmen op een uitzending van een kerstnachtmis in de een of andere kerk. Na de mis dook iedereen met een vredig en voldaan gevoel in zijn eigen kribje.

hfdfotokerstHUA1960 Burgemeester Constant de Ranitz en de Finse ambassadeur naast de door Finland geschonken kerstboom op de Stadhuisbrug © Het Utrechts Archief

Eens, in 1974, werd de opbouw naar een vredige sfeer op kerstavond heel ruw verstoord, althans in mijn ouders’ ogen. Dat gebeurde toen mijn broer Charles en ik, aan het begin van deze heilige avond, besloten om voor de verandering eens naar de kerstspecial van Sjef van Oekel op tv te gaan kijken.

oekelStill uit de televisieserie Van Oekel's Discohoek uit 1974

In die speciale aflevering lag een straalbezopen Sjef languit op straat. Aldaar stak hij zijn kop in de fietstas van dominee Bongers, om deze tas vervolgens vol te kotsen. Onderwijl stond de eerwaarde van het jeugdpastoraat zelf binnen. Daar stond hij, met een groot glas jenever in zijn hand, een kerstpreek voor te bereiden.
Mijn ouders waren werkelijk in alle staten. Zij probeerden uit alle macht deze goddeloze VPRO-vertoning voortijdig af te breken. Charles en ik waren echter groot en sterk genoeg om hen dat te beletten. Het was een nogal brute start van de kerst van de twee broers.

Na de kerst, voor het jaareinde, concentreerde mijn aandacht zich op het verzamelen van kerstbomen. Op al die mooie sparretjes die, voor slechts een paar weken kerstviering, uit het bos waren gezaagd. Thans lagen zij troosteloos voor oud vuil op straat. Ontdaan van hun lichtjes, waren zij daar daags na de kerst gedumpt.
Sommige van die boompjes werden zonder pardon uit het raam naar beneden gesmeten. Enkele maakten die vlucht omlaag, terwijl ze nog half opgetuigd waren. Nog versierd met engelenhaar en zilverslingers. Soms nog met een miniatuur kribje met Jesu lieve Heer erin. “Jesu lieve Heer, Gij komt van alzo hoge, en ploft op straat neer. Kyrieleis.” Heer, heb medelijden.
Zo snel kon het gaan met een daags ervoor nog aanbeden kerstboom. Met het laten vallen van de boom, maakte de vredige kerstsfeer gelijktijdig weer plaats voor de grimmige werkelijkheid van alle dag.

Er woedde rond oudjaar een ware veldslag tussen jongens in alle wijken van de stad. Rivaliserende ‘bendes’ probeerden de hand te leggen op zoveel mogelijk afgedankte kerstbomen.
Inzet was wie uiteindelijk de meeste bomen vergaarde. Wie de grootste berg bomen bij elkaar kon slepen voor de kerstboomverbranding. Bij het veroveren van de bomen werd zo nodig geweld gebruikt.
Iedere bende had een geheime locatie. Een aan het zicht onttrokken plek, waar de bomen werden verstopt. Deze bewaarplaats werd te vuur en te zwaard verdedigd tegen een vijandige overval.
Er werd echt om de bomen gevochten. Verzamelplaatsen werden keer op keer overvallen en leeggeroofd. Mijn kameraden en ik hadden als opslagplaats een werfkelder aan de Oudegracht. Het was de kelder van de ouders van een vriend.
Als je ergens op straat een boom te pakken had gekregen, moest je je daarmee als een haas naar de ‘veilige’ opslagplaats begeven. Je moest constant op je hoede zijn. Steeds opletten dat je niet geschaduwd werd. Uitkijken dat je niet tijdens het transport overmeesterd werd en met geweld gedwongen werd de positie van de opslagplaats prijs te geven. Kortom, spanning volop.

Jongens waarmee we het aan de stok hadden tijdens de kerstbomenjacht, kwamen uit Sterrenwijk en Wijk C.
Het waren trouwens dezelfde jongens, waartegen we in minder verhitte tijden voetbalden. Dan ging het er veelal ook stevig aan toe.
Aan het einde van de ‘kerstbomenoorlog’ werden de bomen massaal verbrand. De bendes brachten dan hun buit naar een centrale plaats. Op die plek werd de hele berg bomen, vaak onder leiding en toezicht van de brandweer, in de hens gestoken.
Mijn vrienden en ik echter, staken die bomen liever zelf in brand. Dat deden we stiekem ergens langs de Oudegracht, vlakbij onze opslagplaats. Die fik vond plaats op een tijdstip naar eigen inzicht en was dus ongecontroleerd. We hadden wel altijd wat emmers water uit de gracht klaarstaan voor het geval de brand uit de hand dreigde te lopen.

In de aanloop naar oudejaarsavond waren we vooral bezig met vuurwerk afsteken. Daartussendoor aten we ons ongans aan oliebollen en appelflappen.
Deze lekkernijen werden niet per doosje bij een of andere bakker besteld. Ze werden gewoon thuis gebakken. Meteen een wasteil vol.
Het was een feest om de gebakken creaties bij verschillende vriendjes thuis te kunnen proeven. Vaak kon je tegen de tijd dat de klok twaalf sloeg, geen oliebol of appelflap meer zien.
Zodra kerst achter de rug was, werd er overal reeds geknald. Vergeleken met het huidige arsenaal aan raketten en explosieven, was het vuurwerk van toen van veel lichter kaliber.
Iedere buurt telde wel een paar vuurwerkfanaten. Mensen die veel geld uitgaven om een avond in het jaar in het middelpunt van de belangstelling te kunnen staan. Mijn vriendenkring kwam echter zelden verder dan het afschieten van wat lullige knalkurken en het aansteken van sterretjes. Met die sterretjes liep je een grote kans je fikken te schroeien, zodra het staafje bijna was opgebrand. Heel vervelend werd het, wanneer je zo’n gloeiend ding in je nek geworpen kreeg.
Ik kon altijd intens genieten van de geur van brandend vuurwerk en de alom hangende kruitdampen.
De knalkurken die we afschoten, waren kurken gevuld met wat kruit. Zo’n kurk werd in de loop van een bijbehorend pistooltje gedrukt. Na het overhalen van de haan, explodeerde de kurk met een luide knal. We vonden het toen wel leuk om her en der wat argeloze buren schrik aan te jagen. Dan schoten we zo’n knalkurk af in hun brievenbus. In die tijd dachten we er geen moment aan, dat mens en dier zich lam konden schrikken door zo’n actie.

Om twaalf ‘s avonds kwam iedereen de straat op om elkaar het beste te wensen voor het nieuwe jaar. Dat was een veilig en gezellig treffen. De politie of de mobiele eenheid hoefde nooit in actie te komen om dit onderonsje in goede banen te leiden.
Nieuwjaarsdag stond ik ’s morgens vroeg op, om samen met mijn vriendjes de grachten af te struinen en vuurwerk te rapen. Dan verzamelden we vuurpijlen, rotjes en voetzoekers, welke niet tot volledige ontbranding waren gekomen. Het gevonden vuurwerk, vaak met geen of met een zeer kort lontje, werd dan alsnog afgestoken. De leuze “Je bent een rund als je met vuurwerk stunt” deed in die dagen nog geen opgang. Het mag echt een wonder heten, dat hierbij nimmer vingers verloren zijn gegaan binnen mijn vriendenkring.

 

< naar dossiers-overzicht

Scrhijf je in voor de nieuwsbrief
Eerder verschenen papieren uitgaven
Het Ortskommandantur op de Mariaplaats
Verhalen van een babyboomer
Wervendossier