Welvaart Utrecht

Louis Engelman is onderzoeksjournalist. Hij schreef WELVAART UTRECHT voor Nieuws030, honderd artikelen over de ontwikkeling van Utrecht. 
De Binnenstadskrant Utrecht publiceert elke week twee delen.

 

Welvaart Utrecht: deel 91
EEN VAN DE BESTE PLEKKEN OM TE LEVEN

 

Het zit niet zo in de aard van de ‘echte Utrechter’, maar een beetje trots op z’n stad is-ie soms wel. Bijvoorbeeld als een website (Dagtripper.nl) de Utrechtse grachten tot mooiste van het land uitroept.
‘Nieuwe Utrechters’ hadden dat al veel eerder geconstateerd. Op hun blogs prijzen ze de sfeer van de binnenstad de hemel in.


Ronald Besemer van ‘Toerisme Utrecht’ is er content mee. Hij herinnert er in het AD/UN aan dat Utrecht volgens een verkiezing van de reissite Travel Bird de zeer verdienstelijke 18e plek op de wereldranglijst van ‘meest inspirerende steden’ inneemt. Zelfs vóór Amsterdam.

 


Festiviteit in Park Oog in Al (foto: Nieuws030)

 


Maar laten we niet al te hard juichen. Want in de Atlas voor Gemeenten wordt Amsterdam nog steeds aangegeven als leukste stad van het land. Die waardering dankt zij aan de monumentale binnenstad, de grote werkgelegenheid en de voorzieningen.


De voorsprong op Utrecht is wel kleiner geworden. Door de uit de hand gelopen groei van het toerisme (de terreur van rolkoffers) en het gevoel van onveiligheid is de hoofdstad minder aantrekkelijk geworden. Bovendien is de woningmarkt er nog meer dan in Utrecht aan het overkoken.


Het Engelse magazine ‘The New Economy’ schreef al eerder dat Utrecht één van de beste plekken is om te leven. Het blad vindt Utrecht niet alleen een aantrekkelijke stad om in te wonen en te werken. Speciaal wordt de samenwerking vermeld tussen de universiteit, de hogeschool en het universitair medisch centrum op het Utrecht Science Park.

 


Wilhelminapark (foto: Nieuws030)

 


Dat Utrechters plezier beleven aan hun stad is vooral zomers goed zichtbaar. De binnenstad is levendig druk, de terrassen zitten vol als het weer dit toelaat en in de avonduren stijgt er een vrolijk geroezemoes op vanaf de werven langs de gracht.


Opmerkelijk is het in de afgelopen decennia toegenomen recreatieve gebruik van de stadsparken. Waarschijnlijk in navolging van het Amsterdamse Vondelpark werd het eerst in het Wilhelminapark steeds drukker. Met name de studenten vonden er een ideale plek om te voetballen, te zonnen en elkaar te ontmoeten.


Later volgden andere delen van de stad, gestimuleerd door gemeentelijk beleid. In onder meer Park Oog in Al, het Julianapark, het Lepelenburg, Park Transwijk en het nieuwe Maximapark zie je dat omwonenden er steeds meer gebruik van zijn gaan maken. Kinderfeestjes, bruiloftsessies, barbecues, festivals, sport en spel, je komt het allemaal tegen. De tijd dat een politieagent op de fiets jouw bal afpakte als je op het grasveld een partijtje speelde ligt gelukkig ver achter ons.


Natuurlijk is er een grens aan het gebruik van het openbaar groen. Nu al is het soms te druk in het Wilhelminapark, waar voetballers en zonaanbidders elkaar in de weg zitten. Ook het optuigen van commerciële activiteiten kent z’n beperkingen. Omwonenden van het Park Lepelenburg maakten al eens bezwaar tegen de komst van een foodfestival.


Maar in ’t algemeen gaat het de stad niet slecht. Op de Leefbarometer 2014 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken scoren de Utrechtse wijken goed. Alleen Overvecht blijft met een onvoldoende achter. De Binnenstad krijgt de beoordeling uitstekend en Oost zeer goed. Voorts is er een ‘goed’ voor Noordoost, Leidsche Rijn en Vleuten-DeMeern. West wordt gewaardeerd met een ruim voldoende en Zuid met een voldoende.
Van de buurten waren er zes ‘onvoldoende’(Queeckhovenplein en omgeving, Wolga- en Donaudreef, Zamenhofdreef, Vechtzoom-zuid, Nieuw Hoograven-Zuid en Kanaleneiland-Zuid). Ruim onvoldoende waren de Neckardreef en omgeving, Zambesidreef e.o., Tigrisdreef e.o. en Kanaleneiland-Noord. De meest populaire buurten zijn Oudwijk

 

 

 

Welvaart Utrecht: deel 90
UTRECHTERS WORDEN OUDER DAN IN ANDERE STEDEN

 


Utrechters zijn in het algemeen wel tevreden over hun eigen stad. Dat blijkt uit de cijfers van de laatste Utrecht Monitor (2015). De meeste inwoners zijn, aldus de onderzoekers, blij met hun buurt (vooral in Leidsche Rijn) en ze reageren positief op het onderhoud van de straten, pleinen en het openbaar groen.


Ook de luchtkwaliteit is – in elk geval gevoelsmatig - verbeterd ten opzichte van de jaren hiervoor. Er zijn minder klachten over stank en verkeersoverlast. En dat de Tour de France in Utrecht startte vervulde veel inwoners (80 procent) met trots.


Belangrijk voor de welvaart in de stad is dat het Utrecht economisch voor de wind gaat. De bedrijvigheid groeit en ondernemers hebben vertrouwen in de toekomst. Zij nemen steeds meer mensen in dienst, zowel in een vast als in een tijdelijk verband. In Europa staat de regio op nummer één wat betreft het aantal parttime banen.


Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving is Utrecht een sterke motor binnen de Nederlandse economie. De regio wordt gekarakteriseerd als één van de meest innovatieve in Europa. Daarbij komt dat de leegstand van kantoren daalt en de woningmarkt is opgebloeid na de kredietcrisis.


 


Utrechters worden steeds ouder (foto: Pixabay)

 

Bij dat laatste zijn wel wat kanttekeningen te maken. De kooplust is inmiddels zo groot dat de kandidaten over elkaar heen buitelen en soms tot ver boven de vraagprijs bieden om de woning te kunnen verwerven. Makelaars spreken van ‘een gekkenhuis’, maar zijn daar natuurlijk niet ontevreden over. Die schaarste houdt bovendien nog wel een paar jaar aan. Volgens ramingen is er volgens de gemeente zelfs in 2030 nog sprake van een tekort aan particuliere koop- en huurwoningen. Daarom wil de stad haar bouwprogramma versnellen.


Met een achtste plek op de lijst van meest duurzame steden ter wereld mag Utrecht in haar handen knijpen. Onderzoek van ingenieursbureau Arcadis uit Amersfoort wees uit dat de stad vooral op het gebied van milieu goede scoort. Zij blijft daardoor andere Nederlandse steden ver voor. Amsterdam staat elfde en Rotterdam negentiende.


Qua criminaliteit slaat Utrecht ook geen slecht figuur. De stad is in de afgelopen jaren veiliger geworden en staat niet langer in de top tien van onveiligste gemeenten van het land. Met name de woninginbraken daalden fors (-21 procent in 2015, dit bleef gelijk in 2016).
Na een aanvankelijk flinke afname stegen de autodiefstallen (tot 6007 in 2016) en winkeldiefstallen wel weer, terwijl er iets minder fietsen werden gestolen (4428).
Geweldsdelicten waren er vorig jaar vijf procent minder en ook het aantal straatroven en overvallen is gedaald. Daarentegen steeg het huiselijk geweld met zes procent.


Op onderwijs gebied doet de Domstad goed mee. De kinderen scoren hoger op de citotoets dan het landelijk gemiddelde. En dit jaar werd bekend dat alle scholen in de stad van de Onderwijsinspectie een voldoende of hoger hebben gekregen. Utrecht is daarmee de eerste stad in Nederland. Wel is een derde van de inwoners nog ontevreden over het aanbod van basisscholen in de buurt.


Over hun levensverwachting hoeven Utrechters niet te klagen. Zij blijken iets ouder te worden dan de inwoners van Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Gemiddeld halen ze de tachtig (80,1) waarvan 67 jaar in goede gezondheid. Vrouwen leven in doorsnee wel vijf jaar langer (82) dan de mannen (77). Daarbij maakt het wel verschil in welke buurt je woont. De ‘levensverwachting in goed ervaren gezondheid’ ligt in Overvecht met 60 jaar een stuk lager dan in Noordoost (72 jaar).


Op de ranglijst van beste winkelsteden in de Benelux is Utrecht op de achtste plaats geëindigd, achter Amsterdam, Brussel, Antwerpen, Luxemburg, Rotterdam, Den Haag en Gent. Volgens een rapport van vastgoedadviseur JLL zijn de in het voetgangersgebied gelegen Lange Elisabethstraat, Oudegracht en Steenweg de belangrijkste winkelstraten van de stad.


Het ‘shoppen’ zal in Utrecht naar verwachting nog sterk toenemen. In een convenant dat de gemeente sloot met het Centrum Management Utrecht blijkt dat het bezoekersaantal van de binnenstad in 2025 met 15 miljoen zal zijn toegenomen tot 40 miljoen per jaar.


Niet zo gek dus dat erover wordt gedacht het wandeldeel van het centrum flink uit te breiden. Dat betreft dan de oostkant van de Oudegracht, Potterstraat, Vismarkt, Donkere en Lichte Gaard, Wed en het vervolg van de Oudegracht-oostzijde tot aan de Hamburgerstraat. Al eerder stemde de raad in met het voorstel van GroenLinks om het stadhuisplein (Ganzenmarkt) tot voetgangersgebied te maken.

 

 

Welvaart Utrecht: deel 89
STUDENTEN IN BANEN VOOR LAGER OPGELEIDEN

 


Zoals velen misschien nog weten heeft Utrecht een eigen geschiedenis met sociale achterblijvers. In 1924 werd de Stichting Volkswoningen opgericht, die gezinnen die als niet sociaal werden beoordeeld in speciale buurten plaatste.


De stichting had het beheer over vier complexen: het Houtplein, Ondiep XII (Hooipoort), Ondiep XIII en het Anthonieplein. Het betrof kleine huisjes met minimale voorzieningen. Begeleiders van de stichting hadden de taak om de bewoners op te voeden. Daarover rapporteerden ze aan de gemeente. Pas in 1975 is deze stichting opgeheven.


Naar zulke paternalistische toestanden gaan we hopelijk niet meer terug. Maar het probleem van wat de politici ‘de kloof’ noemen mag niet worden onderschat. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het boek ‘Het geluk van Limburg’ van journaliste Marcia Luyten. Zij nam daarin de huidige bevolking van Kerkrade onder de loep, waar de werkeloosheid hoog is, grote gezinnen in armoede leven en drugscriminaliteit hoogtij viert.


Luyten noemt deze generatie de ‘globaliseringsverliezers’. De groep kan volgens haar door hun lage opleiding slecht uit de voeten in de flexibele, hypercompetatieve mondiale economie’. De winst van de PVV in de verkiezingen van 2010 (36 procent van de stemmen) ziet zij als een ‘opstand’ tegen een maatschappij die te hoge eisen stelt.


Vergelijkbare ontwikkelingen zijn in Utrecht niet ondenkbaar. Want voor de lager opgeleiden zijn, in een stad met veel studenten zoals Utrecht, de kansen op een bepaald deel van de arbeidsmarkt ook niet groot. Denk daarbij aan de horeca. De Atlas voor Gemeenten en onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen hebben dat duidelijk waargenomen.


Zij constateerden dat er voor elke honderd hoogopgeleide instromers tien banen bij komen, voornamelijk in de vrijetijdssector met koffiebars, restaurants en culturele instellingen. Het zijn, volgens de onderzoekers, banen die prima kunnen worden vervuld door lager opgeleiden. Maar het zijn juist de studenten die deze posities als bijbaantje innemen om hun studiegeld aan te vullen.


In de competitie om deze werkplekken moeten de laagopgeleiden – vaak niet-westerse allochtonen zonder startkwalificatie – het afleggen tegen de studenten die erg bereid zijn om tijdelijk onder hun niveau te gaan werken. Het gevaar bestaat dat er daardoor een ‘onderklasse’ wordt gevormd die aan haar lot wordt overgelaten.


Programmaleider Josien Oudemans van de Utrechtse bibliotheek maakte eind vorig jaar bekend dat het aantal laag geletterden in Utrecht zo’n 13 procent van de bevolking bedraagt. ‘Zij kunnen geen bijsluiter lezen, begrijpen een schoolrapport van hun kind niet of lopen tegen problemen op bij brieven van de gemeente of de belastingdienst.’ Met taallessen probeert de bieb hierbij ondersteuning te geven. Die voorzien, aldus Oudemans, vooral in Overvecht in een grote behoefte.

 

 
Hans Spekman (foto: Nieuws030)

 


PvdA-voorzitter en oud-wethouder van Utrecht Hans Spekman is nog steeds heel gevoelig voor deze achterstanden. Hij heeft persoonlijk ervaren hoe het voelt om deel uit te maken van de laagste sociale klasse. Zijn grootouders verdienden wat bij met mollen te vangen om van de gestroopte huiden tassen te maken. Zijn vader, timmerman en kippenfokker in Zevenhuizen, overleed al toen Hans 1 jaar oud was. Geld voor luxe was er eigenlijk nooit.


Het heeft zijn karakter en politieke opvattingen, zegt hij, gevormd. Als wethouder sociale zaken in Utrecht zorgde hij er daarom persoonlijk voor dat de in de ogen van velen de meest verachtelijke bevolkingsgroep – de totaal verslonsde druggebruikers in de tunnel van Hoog Catharijne – een menswaardig bestaan kregen. De credits daarvoor eist hij overigens niet voor zichzelf op. Die geeft hij ruimhartig aan Rob Kok van Leefbaar Utrecht. ‘Die kwam op het idee om die mensen in iedere wijk op te vangen.’


Maar Spekman was blij er als wethouder aan te hebben kunnen meewerken. En trots is hij nog steeds op de wijkbewoners die na gesprekken met hem bereid bleken ruimte voor oplossingen te scheppen in hun eigen omgeving. Zijn persoonlijke drijfveer vond hij in de dood van zijn eigen zusje dat aan drugs verslaafd was. ‘Ik kende de gevolgen van de verslaving dus van dichtbij.’


Hij vertelt met zijn vierjarige dochtertje een keer naar de ‘Tunnel’ onder Hoog Catharijne te zijn gegaan. ‘Daar durfde niemand meer te komen. De mensen sliepen daar in hun eigen poep en pies. Vrouwen werden misbruikt. Het was een afschuwelijke wereld.’


Spekman zag het als zijn opdracht om een menswaardiger leven voor ze te creëren. ‘Ik wilde ze weer ‘buren’ laten worden. Dus probeerde ik ze te huisvesten in ‘hostels’. Maar wel met een draagvlak in de buurt. Dat ging natuurlijk niet zonder slag of stoot. Mensen waren angstig en vroegen zich af of hun kind niet in een spuit zou trappen.’


Maar waar de wethouder indertijd het meest tegenaan liep was het wantrouwen naar het stadsbestuur. ‘Er bestond grote twijfel over de geloofwaardigheid, omdat ze op andere terreinen afspraken niet waren nagekomen.’


Uiteindelijk is het Spekman gelukt. Utrecht is daardoor niet alleen veiliger geworden – het aantal inbraken nam af - maar ook verdween de overvloed aan bedelende junks op straat. De oud-wethouder is er tevreden over. ‘Die verslaafden moesten zich ook weer mens kunnen voelen. En dat is gelukt. Ik was eens bij een begrafenis van iemand uit de ‘Tunnel’. Indertijd een uitgemergelde man. Maar na jaren in het hostel was hij flink aangekomen. Dat vond ik bijzonder. Hij is dik doodgegaan. Er is niks mooiers.’

 

Welvaart Utrecht: deel 88
VERSCHILLEN ZIJN ENORM TUSSEN DE WIJKEN


Hadden we het in de vorige aflevering over de scheiding van bevolkingsgroepen in Utrecht. Vorig jaar stelden Nederlandse wetenschappers vast dat de kloof tussen arm en rijk in de grote steden in heel Europa alleen maar groter dreigt te worden. Zij trokken deze conclusie na onderzoek in dertien hoofdsteden.


Amsterdam leek daar nog het beste uit te springen, maar de wetenschappers zeiden te vrezen dat vooral door de verkoop van sociale huurwoningen die betere positie op het spel wordt gezet. Daarbij heeft ook de ‘gentrification’ oftewel de ‘veryupping’ van buurten een negatieve invloed. Die zou de scheiding met de achterblijvende buurten juist versterken.


Het is niet moeilijk om ook in Utrecht dergelijke ontwikkelingen aan te wijzen. Zet de Vogelenbuurt tegenover Overvecht, of Wittevrouwen tegenover Kanaleneiland. De verschillen tussen deze wijken zijn enorm.

 


Nieuwbouw in Leidsche Rijn grijpt soms terug
op oude bouwstijlen (foto: Nieuws030)


In oktober vorig jaar werd over deze problematiek een openbaar debat gehouden in het ZIMICH theater Stefanus onder de prikkelende titel: ‘Wordt Utrecht een Wassenaar aan de Vecht?’ Kernpunt van de discussie vormde het feit dat het centrum van Utrecht voor veel huurders te duur is geworden. Dat wordt in de hand gewerkt door de corporaties die steeds meer sociale huurwoningen binnen de singels verkopen om aan de randen van de stad nieuwe huizen terug te bouwen.


De manager volkshuisvesting van Portaal, Reijnder Jan Spits, zei dat beleid wel te kunnen verantwoorden. ‘Want daardoor kunnen wij twee keer zoveel woningen bouwen buiten de singels.’ Hij stelde dat de prioriteit ligt bij de beschikbaarheid van woonruimte en dat daarna de spreiding pas komt. ‘In de ideale wereld woont iedereen waar hij wil’, aldus Spits, ‘maar als men mij het mes op de keel zet, dan kies ik voor de beschikbaarheid van woonruimte in plaats van een ongedeelde buurt. Bovendien kunnen de mensen nog gewoon in de stad wonen, alleen niet meer binnen de singels.’


Utrecht volgt daarbij een andere lijn dan Amsterdam. In de hoofdstad houdt men strakker vast aan een ongedeelde stad omdat een tweedeling ten koste kan gaan van de samenhang. Volgens Winnie Terra, voorzitter van de Huurdersvereniging Amsterdam, komen verschillende groepen elkaar dan niet meer tegen. Daarom zijn er in Amsterdam afspraken gemaakt over het aantal sociale huurwoningen in de verschillende wijken.


Op een andere manier probeert het Utrechtse stadsbestuur de bewoners met een laag inkomen wel tegemoet te komen. Vanaf september dit jaar mogen drieduizend minima (met een U-pas) in een voor hen te dure sociale huurwoning gemiddeld 60 euro per maand minder betalen. Daarmee moet worden voorkomen dat steeds meer huurders in financiële problemen geraken. Gemeente en corporaties brengen de kosten gezamenlijk op. Na twee jaar wordt bekeken of de maatregel effectief is geweest.


Dat grote groepen van de bevolking nu al geheel langs elkaar heen leven werd vorig jaar ook duidelijk gemaakt in het rapport ‘Lang leve het verschil, weg met de fragmentatie’ van het wetenschappelijk instituut van het CDA. Daarin werd gesteld dat het veelal gelijkgestemden zijn die elkaar tegen komen. Mensen met een geringe scholing herkennen zich bovendien steeds minder in de politiek omdat die wordt gedomineerd door hoogopgeleiden.


Die sociale ongelijkheid is, aldus de onderzoekers, zichtbaar door het feit dat mensen met een betere opleiding langer leven, eenvoudiger hun weg vinden naar het gemeentehuis, een beter netwerk hebben en beter in staat zijn de klappen van een economische crisis op te vangen. De opstellers van het rapport zien dat de tweedeling al vroeg plaats vindt. Zo gaat een deel van de kinderen na de basisschool naar het vmbo, een ander deel naar vwo en gymnasium. Die twee groepen zien elkaar nauwelijks meer.


Het CDA-instituut meent dat er meer aan moet worden gedaan om die twee groepen elkaar weer te laten ontmoeten. Dat kan volgens de onderzoekers in de sport, op het gebied van toneel en muziek, maar net zo goed voor de televisie. Wat dat laatste betreft waarschuwen ze ervoor dat het weghalen van amusementsprogramma’s bij de publieke omroep ook tot een splijting kan leiden. Alleen maar elitaire programma’s zullen bij een deel van de bevolking niet meer in de smaak vallen, waardoor er te weinig overblijft om samen over het gebodene te praten. Er moet méér zijn dan alleen het NOS-journaal om elkaar te treffen, aldus de onderzoekers.

 



Welvaart Utrecht: deel 87
NIET IEDEREEN VOELT ZICH EEN VOLWAARDIG BURGER

 


Ook PvdA-raadslid Bouchra Dibi luidde halverwege 2015 de noodklok over de dreigende maatschappelijke kloof. In het UN wees ze op de problemen voor Marokkaanse jongeren. Die hebben volgens haar het idee dat ze niet meetellen in dit land, geen kansen hebben of krijgen.


Het gevaar bestaat dan, aldus Dibi dat deze groep vatbaar is voor radicalisering. Of dat ze de criminaliteit in gaan. Het raadslid schat dat het om honderden jongeren gaat. Ze voelen zich op de arbeidsmarkt gediscrimineerd en denken dat ze door hun islamitische achtergrond niet in Nederland worden geaccepteerd.




Bouchra Dibi  (foto: Nieuws030)



Eind vorig jaar waarschuwde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) daar ook voor in het rapport ‘Werelden van verschil’. Dat kwam met tamelijk verontrustende cijfers over het deelnemen aan de samenleving van Nederlanders met Turkse en Marokkaanse wortels. Volgens het SCP voelt de helft van hen zich ‘geen of in geringe mate Nederlander’. Ze hebben niet het gevoel een volwaardig burger te zijn en oordelen vaak negatief over autochtone Nederlanders.


Circa 20 procent van de Turkse en 15 procent van de Marokkaanse Nederlanders onderhoudt vrijwel geen contact met autochtone Nederlanders. De rapporteurs melden dat van de jonge Nederlandse Turken en Marokkanen een belangrijk deel in een toestand van ‘gematigde segregatie’ leeft. Zij hebben wel contacten met autochtone Nederlanders, maar zijn mentaal en cultureel overwegend op het land van herkomst (van hun ouders) georiënteerd. Daarbij hebben ze het gevoel uit de samenleving te worden ‘weggeduwd door discriminatie, uitsluiting, gebrek aan erkenning en aan acceptatie’.


Soms worden die gevoelens binnen de eigen gemeenschap versterkt, zoals het AD/UN vorig jaar aantoonde in verhalen over de Al Fitrah-moskee op Overvecht. Maar er is ook een tegenbeweging die juist probeert de contacten met de autochtone Utrechters aan te halen. Een goed voorbeeld hiervan geeft mijns inziens het bestuur van de Ulu-moskee in Lombok. Dat gooit de deuren van de moskee wijd open voor alle belangstellenden.


Niettemin hebben de bezuinigingen van het rijk en de overheveling van taken naar gemeenten de sociale verschillen – zo lijkt het – alleen maar groter gemaakt. In november vorig jaar was voor de colleges de maat vol. Zij gingen over tot een uniek protest. Namens 234 wethouders van financiën overhandigde wethouder Jan de Laat van Gouda aan minister Plasterk (PvdA, Binnenlandse Zaken) een brandbrief met als boodschap: de grens is bereikt. Verdere bezuinigingen zullen leiden tot lange wachtlijsten in de zorg, verloederde wijken, sluiting van zwembaden, kindercentra en musea en een toename van het gevoel van onveiligheid.


Hoe concreet die bedreigingen kunnen zijn blijkt uit het volgende voorbeeld. In de Volkskrant van 25 november schreef Charlotte Huisman vorig jaar een reportage over de Utrechtse Stichting Leergeld, die de dupe dreigde te worden van het aangescherpte armoedebeleid van de stad.


De stichting zou – als de gemeenteraad daarmee instemde – haar jaarlijkse subsidie van 50 duizend euro kwijtraken. Dat zou heel sneu zijn voor de kinderen van ouders die te weinig geld hebben om mee te kunnen doen op school. Bijvoorbeeld omdat ze geen fiets, schoolkamp of computer kunnen betalen. Die ouders konden tot dan toe bij ‘Leergeld’ aankloppen voor hulp.

 

 
Ulu Moskee  (foto: Nieuws030)



Maar het college van Utrecht vond dat de stichting zichzelf moest gaan bedruipen. Gezinnen met een smalle beurs konden, aldus een woordvoerder, een beroep doen op de U-pas voor de minima. Daarvan kunnen ze voor ongeveer 300 euro per jaar meebetalen aan sportactiviteiten en schoolspullen.


Toenmalig coördinator Hilde Lorier van Leergeld was de schrik om het hart geslagen. Ze vertelde vorig jaar al zo’n vijfhonderd kinderen te hebben geholpen en dat de wachtlijst alleen maar steeg. ‘Zonder onze stichting hebben arme kinderen straks minder kansen’, concludeerde ze.


Gelukkig voor haar begreep de gemeenteraad dat de subsidie echt nodig was. Volgens de nieuwe coördinator Harmen van de Kamp heeft dat voor de stichting veel betekend. ‘We hebben onze positie in de stad versterkt en uitgebreid. Het aantal aanvragen neemt toe en de beleidsmedewerkers van de gemeente weten ons goed te vinden voor advies en informatie.’


Zonder de subsidie was dat niet mogelijk geweest, stelt hij. ‘Nu hebben we een groot deel van onze ambities waar kunnen maken.’


Voor deze stichting liep het dus goed af. Maar er blijkt ook uit dat de scheidslijn tussen succes en de afgrond maar heel klein is. Tot die constatering was de landelijke Kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer ook gekomen. Zij stelde eind vorig jaar dat de financiële afwegingen bij de jeugdhulp in Utrecht soms ten koste gaan van het belang van het kind. Ook zou de toegang tot de jeugdhulp in sommige gevallen onvoldoende zijn.


Het Utrechtse college reageerde er gepikeerd op met de mededeling zich in die kritiek niet te herkennen. Volgens b. en w. zijn er helemaal geen signalen binnengekomen waaruit zou blijken dat het met de jeugdhulp niet goed gaat.

 

 

Welvaart Utrecht: deel 86
ARMOEDE IN UTRECHT NEEMT TOE

 

Zorgelijk is dat lang niet iedereen meeprofiteert van de welvaart. Er is een groep die achterblijft. Want ondanks de betere economische vooruitzichten voor de stad is het aantal mensen in Utrecht zonder werk onverminderd hoog.


Halverwege 2014 ontvingen ruim 33.000 stadgenoten een uitkering voor werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of bijstand. Een stijging van bijna 3 procent ten opzicht van het jaar daarvoor. Het aantal jongeren met een Wajonguitkering beliep bijna vierduizend.


Het afgelopen jaar hebben 7.645 Utrechters Individuele Inkomenstoeslag aangevraagd. Om hiervoor in aanmerking te komen moet iemand langdurig een laag inkomen hebben en geen ‘in aanmerking te nemen vermogen’. Ook moet iemand geen zicht hebben op verbetering van de inkomenspositie.

 


Verouderde flats op het Kanaleneiland worden door projectontwikkelaars gerenoveerd 
Utrechters met een laag inkomen komen daar echter niet voor in aanmerking
(foto: Nieuws030)



De armoede neemt in Utrecht eerder toe dan af. Het aantal bijstandsuitkeringen groeide door naar ruim 10.000. Van de inwoners moet 13 procent (18.000 huishoudens) rondkomen van een inkomen rond het wettelijk sociaal minimum. In 2008 was dat nog 8,5 procent. Voor sommigen blijft er, nadat de schuldeisers langs zijn geweest, zo weinig over dat basisbehoeften niet kunnen worden vervuld. Veel gezinnen komen elke maand honderden euro’s te kort.


Voor een deel komt Utrecht haar inwoners met een laag inkomen tegemoet. Zo kunnen zij gebruik maken van een Collectieve Zorgverzekering voor Minima. De stad werkt daarin samen met Zilveren Kruis Achmea. Inwoners met een U-pas kunnen er aan deelnemen. Dat zijn mensen met een inkomen van 125% van het sociaal minimum.


Zij kunnen kiezen uit 3 pakketten, afhankelijk van de zorgbehoefte. De gemeente betaalt mee aan de premie van de twee meest aanvullende pakketten. De zorgverzekeraar verleent een korting op de basisverzekering. Zo’n 19.500 Utrechters maken gebruik van deze verzekering (13.500 volwassenen, 6.000 kinderen).


Toch stelt de Volksgezondheidsmonitor Utrecht dat 24 procent van de volwassenen in de stad moeite heeft rond te komen. Zij maken schulden of moeten hun spaargeld aanspreken. Onder de laagopgeleiden is dat percentage aanzienlijk hoger: 58 procent. Overvecht is de wijk waarin de meeste mensen wonen die problemen hebben maandelijks de eindjes aan elkaar te knopen.


Het gevolg is dat één op de tien kinderen in Utrecht – dat zijn er circa 6.400 – in armoede opgroeit. Het betekent ook dat een kwart van de bevolking in 2015 niet op vakantie is gegaan. Vooral mensen die minder dan modaal (1750 netto per maand) verdienen bleven massaal thuis.


De huishoudens met een laag inkomen die wel op vakantie gingen, deden dat hooguit een weekje. De hogere inkomens trokken er doorgaans twee tot drie weken op uit. Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) uit Utrecht heeft dat onderzocht.

 


Roland Goetgeluk (foto: Nieuws030)

 

 
In zijn column ‘Grimlachjes’ op de website DUIC besteedde stadsgeograaf Roland Goetgeluk aandacht aan een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek en de Delftse hoogleraar Maarten van Ham (opgegroeid in Overvecht). Zij toonden aan dat de Nederlandse stedelijke samenleving verdeeld raakt. Het verschil naar inkomen, opleiding en woongenot neemt toe. Delft waarschuwde: te grote verschillen levert sociale onrust op en onrust tast de concurrentiekracht aan.


Amsterdam en Rotterdam reageerden onmiddellijk, constateerde Goetgeluk. In Utrecht bleef het tot zijn verrassing ‘tergend stil’. ‘Wie van de politieke partijen nodigt Van Ham uit?’, vroeg hij.


Van Ham en collega’s onderzochten in 13 grote Europese steden hoe het zit met de ‘sociaaleconomische segregatie’: de ontmenging dus. Goetgeluk: ‘Rijken wonen steeds meer bij rijken en armen steeds meer bij armen. Ze waarschuwden dat er grenzen bereikt worden aan wat een stedelijke samenleving vermag. In absolute zin zijn er nu eenmaal meer armen dan rijken. Als er sociale onrust ontstaat is dat niet zo handig.’


De studie van het CBS kwam volgens Goetgeluk met vergelijkbare uitkomsten. ‘Zonder redelijke opleiding en diploma’s zijn ouders en kinderen kansarm op alle terreinen: scholing, werk, inkomen, wonen, partner, gezondheid en ga zo maar door. De ooit zo normale sociale stijging is nu steeds meer weggelegd voor steeds minder mensen. Lager opgeleiden missen vast werk door de crisis, maar vooral door de verandering van de arbeidsmarkt. Kennis telt, zo stelt Den Haag correct. Maar vertellen is nog geen daad stellen. Deze groep zonder vrolijke vooruitzichten groeit rap.’

 



Welvaart Utrecht: deel 85
VAN KOUDWATERKRAANTJE NAAR STOOMOVEN



Het is verleidelijk de woningen van nu te vergelijken met de huizen van vijftig jaar geleden. De ‘droomkeuken’ van toen was meestal een smalle pijpenla met wat hangende kastjes aan de ene kant met daar tegenover een granieten aanrecht met gootsteentje, waarboven een kraantje koud water leverde. Gekookt werd er op een gaststel, waarop ook de wastobbe urenlang stond te dampen. Eronder was achter een katoenen gordijntje de schoenenbergplaats van het gezin weggestopt.


Het huis kende nauwelijks isolatie. Dubbel glas was nog niet gangbaar en de ‘woonkamer en suite’ – waarvan het voorste deel achter de schuifdeuren alleen zomers bij de leefruimte werd getrokken – werd verwarmd door een met eierkolen of briketten gestookte kachel. Elke Volgende deel moesten de sintels voorzichtig worden verwijderd om niet het hele huis onder het stof te zetten. Daarna ging er in de klep de inhoud van een halve kolenkit om de woonruimte weer op temperatuur te brengen.

  


Een badkamer was een luxe. Kinderen werden één keer per week in de teil gewassen of naar het badhuis in de buurt gestuurd. De andere dagen was een nat washandje over gezicht en onder de oksels verfrissend genoeg om in de kleren te stappen die pas na een week in de was mochten.


Voor kierende deuren, waar ’s winters een koude tocht doorheen kwam, hing men dekens om het warmteverlies te beperken. Wie een kamerdeur achter zich open liet staan kreeg luid de vraag achter zich aan ‘of-ie soms in de kerk geboren was’.


Pas na de komst van de CV in de jaren zeventig kon ook de bovenverdieping worden verwarmd. En in de nieuwbouw werd zodanig met geluidsisolatie rekening gehouden dat je het niet meer hoefde te horen wanneer je buren ruzie hadden.


Bestaande woningen ondergingen ingrijpende veranderingen. De badkamer werd steeds meer een ruimte om mee te pronken. Dagelijks douchen werd normaal en ontwikkelde steeds meer zich tot een wellness-activiteit.

 

 
Voorbeeld van een ouderwetse gashaard
in 1976 (foto: Het Utrechts Archief)

 

 


In veel oude huizen trok men de ‘droomkeuken’ ruimtebesparend bij de kamer, volgestouwd met luxe apparatuur. Zes-pits gasfornuizen, afzuigkappen, Amerikaanse koelkasten, stoomovens, magnetrons, afwasmachines en kookeilanden met glad marmeren bladen gingen tot de standaardinrichting behoren. En in de zomer kwam op het plaatsje in de tuin nog de barbecue te staan. Koken werd hip en dus gingen de mannen zich er ook mee bemoeien, elkaar met ingewikkelde recepten de loef afstekend.


De wonderlijke paradox doet zich nu echter voor dat ondanks al die fraaie keukens de kant-en-klaarmaaltijden een enorme opmars maken. De vakken daarvoor in de supermarkten lijken met het jaar groter te worden. Bovendien bezorgen tientallen bedrijfjes met snelle brommers de pizza’s, sushi, wokgerechten en ‘hollandse maaltijden’ aan huis. Er wordt dus al lang niet meer elke dag gekookt in die fantastische droomkeukens. Geen tijd, geen zin, en wel geld genoeg om uit een kartonnen doos te eten. Tja.


Afnemers van deze thuisgebrachte maaltijden zijn vaak de jonge gezinnen met één of twee kinderen, waarvan de ouders beide werken. Zij zijn in toenemende mate het beeld van een wijk gaan bepalen.


Vorig jaar wijdde de Volkskrant een hele bijlage aan deze vorm van ‘gentrification’ in Amsterdam. Maar diezelfde ontwikkelingen zijn ook al heel lang in Utrecht te ontwaren. De ‘bakfietsgezinnen’ hebben hele wijken overgenomen van de oorspronkelijke arbeidersbevolking. Kijk naar Wittevrouwen en de Vogelenbuurt. Voor deze groep is de stad met al haar voorzieningen, festivals, terrassen en hippe restaurantjes ‘hot’. Daar moet je dichtbij willen wonen.

 

 


BLIJVENDE DRUK OP WONINGMARKT VOOR STUDENTEN

 

De enorme omvang van het aantal studenten (70.000) in Utrecht vergroot de huisvestingsproblemen in de stad. Die worden niet alleen veroorzaakt door het gebrek aan studentenkamers, maar ook door de activiteiten van huisjesmelkers die het niet zo nauw nemen met de regels.


Dat zij steeds meer huizen splitsen om ze per kamer te verhuren is de gemeente een doorn in het oog. Daarom is het sinds vorig jaar moeilijker geworden om daarvoor een vergunning te krijgen. Wat weer een reactie opriep vanuit de studentengemeenschap. In een artikel in het AD/UN stelden woordvoerders van de studentenunie VIDIUS dat het kamertekort daardoor in 2020 tot 10.000 kamers kan oplopen.


Misschien is dat een tikje overdreven. Want volgens de Stichting Studentenhuisvesting (SSH), die zelf 12.000 wooneenheden verhuurt, zijn er nu zo’n 5100 kamers te weinig. Dat waren er een paar jaar geleden nog 9200.


Eerder berekende het Kenniscentrum Studentenhuisvesting Kences dat Utrecht van alle studentensteden relatief de hoogste druk op de kamermarkt kent. Er zouden 8300 studenten graag in Utrecht willen wonen. Nu al telt Utrecht 30.800 uitwonende studenten.

 


Het voormalige NPD-terrein aan de Brailledreef wordt ontwikkeld
voor huisvesting van studenten, starters en ouderengroepen
(foto: Nieuws030)



In de komende jaren moeten er nog eens 4000 eenheden worden gebouwd. Een deel daarvan zal worden gerealiseerd op het terrein van de voormalige Nederlandse Pakket Dienst aan de Brailledreef in Overvecht. Voorts komt er een campus op het KPN-terrein aan de Fockema Andrealaan voor 540 studenten en 260 starters. En wordt de voormalige huisvesting van de Faculteit Educatie aan de Archimesdeslaan afgebroken en vervangen door een campus voor 2500 studenten en starters.




Overzicht van het te ontwikkelen voormalige KPN-gebied
aan de Fockema Andrealaan (foto: Nieuws030)

 

Ook op andere manieren hoopt Utrecht meer woonruimte te creëren. Daartoe worden leegstaande bedrijfspanden omgevormd tot wooncomplexen, vaak voor studenten en starters zoals in het voormalige Provinciehuis. Daar werden er zo duizend extra wooneenheden gerealiseerd. De vraag naar kamers was nog hoger geweest als niet de basisbeurs zou zijn afgeschaft. Deze maatregel leidde ertoe dat meer studenten dan voorheen langer bij hun ouders zijn blijven wonen.


De druk op Utrecht blijft dus nog wel even groot. De stad is voor nieuwe studenten populair en staat in de Elsevier-ranglijst van ‘leukste studentenstad’ op de derde plaats, na Groningen en Nijmegen.


Pas in 2024 wordt een werkelijke daling van het tekort op de studentenwoningmarkt verwacht. Doordat er minder kinderen worden geboren zijn er dan ook minder studenten. Maar tot die tijd blijft vraag groot. Voor Utrecht nog meer dan elders vanwege de toestroom van internationale studenten, die meteen een kamer nodig hebben als ze in Nederland aankomen.

 

 

Welvaart Utrecht: deel 83
WONEN IN UTRECHT WORDT STEEDS DUURDER



Als je in de verschillende wijken van Utrecht alle die bouwactiviteiten ziet, zou je denken dat al die nieuwe inwoners van de stad moeiteloos worden gehuisvest. Maar niets is minder waar. De druk op de woningmarkt is nog steeds heel hoog.


Kijk maar naar de soms absurde situaties in de koopsector, waar veelal jonge mensen tijdens ‘open dagen’ tegen elkaar opbieden om het huis van hun dromen te bemachtigen. Geregeld tot ver boven de vraagprijs.


Voor Utrechters met een smalle beurs is de situatie nog nijpender. Recentelijk werd bekend dat wie is aangewezen op een sociale huurwoning daar gemiddeld 7,4 jaar op moet wachten. En ondanks de geplande bouw van duizenden huizen ziet wethouder Paulus Jansen (SP) die wachttijd niet snel omlaag gaan.


 


Flats aan het Spinozaplantsoen (foto: Nieuws030) 

 

 
Eerder al stelden de Woonbond en makelaarsvereniging NVM vast dat de huurprijzen in Nederland blijven stijgen. Gemiddeld kost een verhuurde woning nu 9,95 euro per vierkante meter, wat voor een heel huis uitkomt op een bedrag van 978 euro per maand. Dat is dus landelijk. De huren op de vrije markt voor Amsterdam en Utrecht schieten nog eens ver boven dit gemiddelde uit. De vraag is daar veel groter.


Volgens de NVM is er juist in het middensegment van de huurwoningen in de vrije sector een nijpend tekort. Dat komt onder meer door de striktere regelgeving bij de toewijzing van sociale huurwoningen en de maatregelen om de doorstroming op de huurmarkt te bevorderen. Dat laatste lijkt maar steeds niet goed te lukken. Het aantal ‘scheefwoners’ – mensen die met een inkomen van boven de 38.690 euro in een sociale huurwoning wonen – is met 13,8 procent nog behoorlijk hoog. In Leidsche Rijn is dat percentage zelfs 21 procent en in de binnenstad 20 procent.


Maar zodra een huurwoning vrijkomt wordt deze vaak door de corporaties aan een nieuwe bewoner tegen een veel hoger huurbedrag aangeboden. Ook in Utrecht. Zeker als de woning door renovatie aan de eisen van de tijd is aangepast. Zo werden vorig jaar leeggekomen opgeknapte huizen in het Spinozaplantsoen tegen een huur van ruim 600 euro aangeboden, waar de bewoners voorheen de helft betaalden.


Het comfort in de huizen was dan wel verbeterd, maar qua oppervlakte en ligging bleven ze toch hetzelfde. ‘Als ik zo’n huis zou moeten betalen, dan zou ik dat niet kunnen opbrengen’, verzuchtte een bewoonster van de wijk, die na de opknapbeurt tot haar geluk in haar flatje kon blijven zitten.


Tijdens een debat in de Utrechtse raadscommissie Stad en Ruimte gaf wethouder Paulus Jansen (SP) aan dat er in de stad een tekort is aan 4.000 sociale huurwoningen. De Volkskrant tekende uit zijn mond op dat hij zich ‘flink zorgen maakt’ over de onderkant van de huurmarkt. Jansen: ‘Utrecht groeit. Er komen succesvolle types bij, maar een andere groep doet een beroep op de sociale huurwoningen: asielzoekers, ouderen, mensen met psychische klachten en de lage inkomens.’


Eind 2015 heeft Jansen daarom met de corporaties zogenaamde ‘prestatieafspraken’ gemaakt. In vier jaar tijd moet een aantal woningen goedkoper worden, komen er meer sociale huurwoningen (1800) en worden er duurzaamheidsmaatregelen ingevoerd. Voor mensen met een laag inkomen betekent dit dat de jaarlijkse huurverhoging lager zal uitvallen dan elders. Verschillende Utrechtse corporaties hebben dit voorjaar inderdaad besloten de huurverhoging te beperken. Overigens blijft het geraamde tekort aan huurwoningen ook in 2020 nog op 3000 staan.


In juni van dit jaar kwam wethouder Jansen met nog meer plannen om een grens te stellen aan de prijzen van de huurwoningen. Voor huizen tussen de 50 en 80 vierkante meter (de middensector) zouden volgens een bericht in het AD/UN huren mogen worden gevraagd van niet meer dan 710 en 950 euro. Dat moet een einde maken aan absurde situaties waarin bijvoorbeeld voor een woning van nog geen 30 vierkante meter een huur van 750 euro per maand wordt verlangd.


Met name in de ‘middensector’ voor starters en jonge huishoudens probeert de gemeente greep op de ontwikkelingen te krijgen. Dat gaat dan om woningen die nog worden gebouwd, in 2017 ongeveer 2000.
Overigens zijn de binnenstad, het Stationsgebied, het Beurskwartier en het Lombokplein daar weer van uitgezonderd. Hier gelden andere tarieven: variërend van 40 vierkante meter voor 710 euro tot 60 vierkante meter voor 950 euro. De voorstellen van de wethouder worden dit najaar in de gemeenteraad besproken.

 


Koophuizen gaan vlot van de hand in Utrecht (foto: Nieuws030) 

 


Toch blijft het de vraag of de plannen gaan helpen en of de corporaties hun beleid echt gaan wijzigen. Want in de Binnenstadskrant van 27 maart 2015 stelde Ton Verweij nog vast dat Mitros, met 28.000 woningen de grootste corporatie in de regio Utrecht-Nieuwegein, in 2012 en 2013 voor 79 miljoen euro van haar bezit heeft verkocht. Waaronder betaalbare huurwoningen.


Ook deden de woningbouwverenigingen Mitros en Portaal in 2015 nog 224 sociale huurwoningen op het Kanaleneiland van de hand. Die werden voor nul euro ‘verkocht’ aan een Zwitserse belegger, die de woningen aan een grondige renovatie onderwierp. Maar daarna wel een huur vroeg die twee keer zo hoog was (700 tot 900 euro). Journalist Cees Grimbergen schreef daarover een kritisch stuk in het AD/UN.


Wethouder Paulus Jansen erkende toen dat dit geen ‘gouden deal’ was. Maar hij vond het positief dat er verbouwd ging worden en dat er energiezuinige woningen bij kwamen. Volgens de gemeente kreeg Kanaleneiland-noord hiermee een ‘boost’. De flats uit de jaren zestig hebben nieuwe badkamers, keukens, kozijnen, deuren en ramen gekregen. Ook is de elektriciteit en isolatie aangepast.


Hoewel alle betrokkenen spraken van een ‘unieke constructie’ is niet iedereen er blij mee. Immers het verlies van sociale huurwoningen telt zwaar. Op die manier dreigt ook Kanaleneiland te ‘veryuppen’. Miriam Sterk, voorzitter van de Utrechtse huurdersbelangenvereniging ‘De Bundeling’, vroeg zich af of de huurders van Mitros en Portaal iets over de transactie te zeggen hebben gehad.


Of het de kritiek is geweest of de start van nieuw inzicht, in elk geval kwam Portaal in juli vorig jaar met een persbericht waarin per direct de verkoop van sociale huurwoningen werd opgeschort. De maatregel, die ook voor 2017 geldt, moet er volgens de corporatie voor zorgen dat het aantal huurwoningen in de sociale sector niet verder afneemt. ‘Wij zijn verantwoordelijk voor het huisvesten van mensen met een laag inkomen en we willen niet dat het voor hen nog lastiger wordt om aan een sociale huurwoning te komen.’


Bovendien schreef de Stichting Utrechtse Woningcorporaties (STUW) in januari van dit jaar een brief aan de gemeenteraad met het verzoek nieuwe bouwlocaties mogelijk te maken waar 3000 huurwoningen kunnen worden neergezet. Die zijn volgens de STUW noodzakelijk om ook Utrechters met lage inkomens een volwaardige woonplek te kunnen bieden.

 

 

Welvaart Utrecht: deel 82
NIEUWE BELANGSTELLING VOOR KANALENEILAND

 

Op Kanaleneiland vindt de vernieuwing nu vooral plaats in het gebied tussen de Amerikalaan, Churchillaan, Rooseveltlaan en Marco Pololaan. Daar moet het Centrumplan Kanaleneiland komen. Op deze manier wil de stad deze naoorlogse wijk moderniseren en weer net zo aantrekkelijk maken als ze aanvankelijk was.


Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor de corporaties Portaal en Mitros. De hoge woontorens aan de voet van de Prins Clausbrug tonen ons nu al hoe dat nieuwe stedelijke wonen moet gaan worden.


Ook particuliere projectontwikkelaars zien wel brood in de vernieuwing van het Kanaleneiland. Zij kopen de relatief goedkope flatblokken op om deze na een grondige renovatie voor ‘nieuw’ aan de man te brengen. Deels in de sociale huursector, deels in het vrije huursegment en deels als koopwoning.
Belangstelling genoeg. De jonge starters staan in de rij. Op die manier worden delen van de wijk, die allang niet meer populair was, toch weer aantrekkelijk gemaakt.




Nieuwe en oude gerenoveerde appartementen
bij de Prins Clausbrug op het Kanaleneiland
(foto: Nieuws030)


Ook aan de andere kant van de stad wordt er driftig gebouwd. Op het voormalige Veemarktterrein wordt veel in zelfbouw gerealiseerd. Genoeg Utrechters hebben op die kans gewacht. Inmiddels is zo’n 40 procent van de bouw afgerond. In totaal zal het project 630 huur- en koopwoningen omvatten.


Voorts zijn er plannen voor een ‘studentencampus’ op het terrein achter het Diakonessenhuis waar de KPN tot dit jaar nog aanwezig is. Een deel van die gebouwen zal worden getransformeerd tot 260 woningen voor net afgestudeerden en 540 studentenkamers. Het is de bedoeling dat dit project in 2018 is afgerond.


Bouwen in de binnenstad wordt wel steeds moeilijker. Maar het gebeurt nog wel. Neem ‘Zijdebalen’ tussen de Vecht en de Oudenoord. De bouwplaats bruist van activiteit. In twee fasen zullen er uiteindelijk ongeveer 500 woningen, waarvan veel appartementen, worden neergezet.
De bouwers proberen met een binnentuin enigszins de sfeer terug te brengen van de oorspronkelijke buitenplaats en lusthof Zijdebalen. Dit project, zo dicht bij de binnenstad, mocht vanaf het begin op veel belangstelling rekenen. De eerste fase moet dit jaar klaar zijn, de tweede fase in 2019.

 


Project Zijdebalen tussen Vecht en Oudenoord
(foto: Nieuws030)

 

 

Plannen zijn er ook om het voormalige expeditieknooppunt van de NS aan de oostkant van de Kruisvaart te ontwikkelen tot een nieuwe woonwijk. Daar zouden in totaal 430 koopwoningen en appartementen worden gebouwd. De wijk moet aansluiten op het ‘Ringpark Dichterswijk’ dat uit een buurtinitiatief is ontstaan.
In het leegstaande PTT Sorteercentrum aan de Jan van Foreestraat in de Dichterswijk zullen dit jaar 218 huurappartementen worden ingericht, voornamelijk voor starters en expats.


In Overvecht wordt binnenkort het terrein van het voormalig ziekenhuis bebouwd. Er komen in het zogenoemde Antoniuskwartier 207 woningen te staan. En voor het NPD-terrein aan de Brailledreef/Zamenhofdreef heeft het college het stedenbouwkundig programma van eisen vastgesteld voor de realisatie van 180 tot 360 appartementen voor starters en senioren, plus een woontoren voor minimaal 550 studenten.


Tenslotte zijn er ideeën om de NS-terreinen nabij de Tweede Daalsedijk voor woningbouw te ontwikkelen. Het idee is om in deze ‘Cartesiusdriehoek’ circa 2400 koop- en huurwoningen te realiseren, waarvan 580 sociale huurwoningen en 300 starterswoningen. Het voormalige CAB-gebouw moet de ontmoetingsplaats van de buurt worden, met ruimte voor maatschappelijke en commerciële voorzieningen. Denk daarbij aan sport en cultuur, winkels en horeca.
Een tunnel van de Locomotiefstraat naar de Tweede Daalsedijk verbindt het gebied met de stad. Het binnenterrein wordt verkeersarm en krijgt een parkachtige uitstraling. Er zal meer ruimte voor de fiets dan voor de auto komen.


Dat de bouwactiviteit in Utrecht enorm is constateerde ook het vakblad Cobouw vorig jaar. Onze stad staat op bouwgebied op nummer 1. Je hoeft ook maar om je heen te kijken om vast te stellen dat die ranking wel zal kloppen. De bouwomzet in Utrecht is sinds het begin van deze eeuw veel groter dan het gemiddelde elders.


Dat is ook hard nodig, want de stad blijft maar groeien. In de afgelopen vijftien jaar nam het inwonertal met 82.500 toe. Daarmee komt Utrecht als groeigemeente op de tweede plaats na Amsterdam. De stad telt nu bijna 340.000 inwoners en dat worden er – we hebben het eerder gememoreerd - naar verwachting in 2028 circa 400.000 en in 2040 zo’n 425.000. Al die mensen moeten hier fatsoenlijk kunnen wonen.

 

 

Welvaart Utrecht: deel 81
NIEUWE ONTWIKKELINGEN ROND MERWEDEKANAAL


Ook al is Utrecht niet zo van het architectonische statement, dat neemt niet weg dat er wel mooie projecten op stapel staan. Interessant zijn bijvoorbeeld de bouwplannen in de Merwedekanaalzone, waar in de toekomst zo’n 9.000 tot 14.000 Utrechters een woonplek moeten gaan vinden. Wat zal de schaal van de bebouwing worden? Welke uitstraling zal deze hebben op de omgeving?


Tot nu toe zijn langs het in 1892 voltooide kanaal, waar voorheen fabrieken stonden, kleinschalige complexen aangelegd met een eigen sfeer. Heel geslaagd vind ik het compact gebouwde Meyster’s Buiten waar in en rondom de voormalige Sojafabriek een nieuw levendig buurtje is gecreëerd. Met als verbindend centrum het oude fabrieksgebouw waarin tal van activiteiten zijn ondergebracht, waaronder de bibliotheek, een restaurant, theaterzaal en ruimtes voor het ‘Wilde Westen’ en schoolklassen.




Sloop van de oude Ford-fabriek op het Jongeriuscomplex 
langs het Merwedekanaal (foto: Nieuws030)



Iets soortgelijks lijkt te gaan komen rondom de Villa Jongerius waar circa 500 woonhuizen en appartementen zullen worden gerealiseerd. Al eerder werd daar tegenover de Veilinghaven ontwikkeld met appartementen en horeca. Voor een goede verbinding met de binnenstad wordt bekeken of er een nieuwe brug moet worden gebouwd die uitkomt bij de Heycopstraat.

 


De gerestaureerde Villa Jongerius (foto: Nieuws030)

 


Verderop langs het kanaal, nabij de Baleijebrug denkt men erover een nieuwe haven uit te graven voor plezierjachten waaromheen dan ook appartementen worden gebouwd. Dit gaat de Wilhelminawerf heten.

Langs de Europalaan 100-500 zullen drie kantoorpanden tijdelijk worden omgebouwd tot 150 startersappartementen. Het project gaat ‘Stadspoort Zuid’ heten. De huur ligt tussen 850 en 1050 euro.


Zuidelijker is het donkerbruine gebouw van de City Campus Max nadrukkelijk aanwezig, waarnaast het appartementencomplex Twogether is gebouwd. Aan de Vliegenthertlaan wordt het voormalige kantoorgebouw van de gemeente Utrecht omgevormd tot 252 appartementen.
Ook aan de overkant, in het gebied van de voormalige Draadstaalfabriek Neerlandia (1915), is een nieuwe wijk neergezet waarin tachtig woningen en vijftig appartementen (koop en huur) worden gerealiseerd. Met het deel in de oude fabriekshal is dit jaar begonnen. Daarin komen 66 appartementen. Een horecagelegenheid met terras aan het water zal er worden ingepast.


De vraag is of de nieuwe en veel grootschaliger bouwplannen in de Merwedekanaalzone ook de menselijke maat behouden kan worden. Zo ja, dan vormen ze een logische aansluiting op de ontwikkelingen rondom de Vaartsche Rijn en Rotsoord. In dit industriegebied vestigden zich aanvankelijk vooral bedrijven voor bouwmaterialen, tegel- en steenfabrieken. Later kreeg het een meer algemeen industrieel karakter door de komst van meubelfabrieken U.M.S. en Pastoe.





Eetcafé Klein Berlijn (foto: Nieuws030)


Maar in het laatste decennium trad er een verandering op in de richting van de creatieve sector. Jonge kunstenaars namen de ruimtes in die door de industrieën werden achtergelaten. Een voorbeeld daarvan is Tivoli De Helling. Op die omschakeling liftte de horeca mee, zoals creatief eetcafé Klein Berlijn en restaurant LE:EN, met als letterlijk hoogtepunt de opening van een restaurant op de bovenverdieping van de uit 1906 daterende watertoren.


De woningbouw ontwikkelde zich er voornamelijk voor starters. Daarvoor staan nog voldoende plannen op stapel. Het Vaartsche Rijngebied wordt daarmee een interessant woon- en recreatiegebied en sluit haast naadloos aan op de binnenstad  (Ledig Erf) en de omliggende wijken Hoograven en Rivierenbuurt.

 

 

Welvaart Utrecht: deel 80
ARCHITECTUUR VAN 'DOE MAAR GEWOON'



De functionaliteit van Leidsche Rijn Centrum, waar we het in de vorige aflevering over hadden, staat niet op zichzelf. Die zien we ook terug in het Stationsgebied. Utrecht is niet zo’n stad van uitbundige opvallende architectonische hoogstandjes. Hier geldt eerder: ‘doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’. Jazeker, het golvende dak van het nieuwe station is qua vormgeving enigszins vooruitstrevend te noemen. Maar daar blijft het dan wel bij.


Stedenbouwkundige Riek Bakker opperde ooit het plan om in het Jaarbeursgebied van het toenmalige Utrecht Centrum Project (UCP) een 140 meter hoge woontoren te bouwen. Maar zo’n beetje alle partijen in het project vielen over haar heen. Wat Riek deed was vloeken in de kerk.


Niet alleen waren er economische twijfels over de haalbaarheid van de toren, ook de hoogte ervan werd in Utrecht als een probleem ervaren. Immers, hét stedelijke icoon - de Domtoren met z’n 112 meter – was eeuwenlang het hoogste gebouw geweest en dat moest zo blijven. Riek was te Rotterdams voor de Utrechters.

 


Artist impression van de Belle van Zuylen
(Architekten Cie., Pi de Bruijn)

 


Hetzelfde lot onderging de Belle van Zuylen toren in Leidsche Rijn. Dit gebouw, naar een ontwerp van Pi de Bruijn, zou zelfs 262 meter hoog moeten worden. Er zouden woningen in komen, winkels, een hotel en kantoren. Op de top zou een uitkijkplatform worden aangebracht. Kosten: 500 miljoen euro.


Aanvankelijk leek de gemeenteraad niet negatief tegenover het plan te staan. Het college verwachtte dat van de toren een grote toeristische en economische aantrekkingskracht zou uitgaan.


Maar in 2010 werd besloten dit idee naar de prullenbak te verwijzen. Als reden daarvoor werd de heersende economische crisis aangegeven. Maar het zou me niet verbazen als het sentiment – hoger dan de Domtoren – ook een rol heeft gespeeld. Burgemeester Aleid Wolfsen had zich er al eerder persoonlijk tegen uitgesproken. Hij liep daarmee gelijk op met de rijksbouwmeester, die de toren niet vond passen te midden van de geplande laagbouw. Daarmee bleef de Dom weer de hoogste.


Ik denk dat veel Utrechters dat in hun hart stiekem prima vonden. De Dom is natuurlijk ook een iconisch gebouw. Vanwege zijn architectuur, zijn geschiedenis en zijn functie als baken in de stad. Hoeveel Utrechters, die van vakantie terugkomen, zoeken niet al in de buurt van Vianen naar de vertrouwde torenspits? Dan weten ze dat ze dan dicht bij huis zijn en veilig zijn teruggekeerd. Een Piek van Riek en een Belle van Zuylen zouden met dat gevoel zeker gaan concurreren.

 

 

Welvaart Utrecht: deel 79
LEIDSCHE RIJN KINDERRIJKER DAN VERWACHT



De bouwactiviteit in Utrecht mag best indrukwekkend worden genoemd. Waarbij Leidsche Rijn natuurlijk koploper is. Halverwege de jaren negentig tekende de Rotterdamse stedenbouwkundige Riek Bakker dit nieuwe deel van Utrecht. Toen nog grotendeels weiland, maar dat zou na de samenvoeging in 2000 met Vleuten-De Meern rap veranderen.


Voor LR werd een planning van circa 20 jaar gemaakt, waarbinnen 31.000 woningen moesten worden gerealiseerd. Daarvan is volgens publieksvoorlichter J. M. Dalmeijer nu ongeveer twee-derde klaar (22.000 huizen). Door de kredietcrisis is de voortgang in de bouw bijna twee jaar vertraagd. Maar de gang zit er nu weer in.


De resterende 9.000 woningen worden gebouwd in het Stadscentrum van LR, in de nieuwe wijk Leeuwensteyn langs het A’dam-Rijnkanaal tegenover Oog in Al, en in Rijnvliet tussen de A2 en de recreatieplas Strijkviertel. Ook zijn er bouwlocaties aangegeven langs de Haarrijnse Plas en in de wijk Haarzicht tussen Vleuten en Haarzuilens. Daar bovenop worden op diverse plekken kleinere bouwprojecten ontwikkeld. De polder Rijnenburg aan de andere kant van rijksweg 12 blijft vooralsnog onbebouwd.

 


Bouwactiviteiten voor Leidsche Rijn Centrum (foto: Nieuws030)

 


De verhouding tussen koop- en huurwoningen in Leidsche Rijn valt in het voordeel van de eerste groep uit. In totaal zal er straks 70 procent koop zijn tegen 30 procent huur. Van die laatste groep is grofweg de helft toegewezen aan de Utrechtse corporaties. Zij bouwen de sociale huurwoningen. Het andere deel is door beleggers ontwikkeld voor de vrije – en dus duurdere - sector.


Als Leidsche Rijn compleet is afgerond heeft Utrecht er een stadsdeel bij met circa 100.000 inwoners. Volgens Dalmeijer was dit cijfer aanvankelijk geraamd op 80.000, maar de wijk blijkt kinderrijker dan verwacht.


De verbindingen met het andere deel van de stad worden gevormd door de (gele) Hogeweidebrug, de nieuwe Daphne Schippersbrug (fietsers), de Meernbrug (Den Hommel) en de Prins Clausbrug naar Papendorp. Het openbaar vervoer is nu nog per gelede bus, maar een tramverbinding is voor de toekomst niet uitgesloten.


Bovendien kunnen reizigers nu al via de stations van Vleuten, Terweide en Leidsche Rijn centrum snel op Utrecht Centraal uitkomen.


Om al die nieuwe bewoners van Utrecht werk te geven zijn onder meer de bedrijfsterreinen Papendorp en De Wetering ontwikkeld. Het is de bedoeling dat straks zo’n 40.000 inwoners dicht bij huis een baan vinden, in alle sectoren van de samenleving.


Voor de recreatie is het centraal gelegen Maxima Park uniek. En zomers is het nu al soms heel druk aan de oever van de Haarrijnse Plas. Daarnaast vervult het Prinses Amaliapark een eigen rol, met name op sportgebied vanwege de daarin aangelegde atletiekbaan.

 


De speeltuin in het Maximapark is een geliefde plek
(foto: Nieuws030)

 


Maar ook op andere gebieden heeft LR z’n eigen voorzieningen. Op cultureel gebied wordt in een behoefte voorzien door Castellum De Hoge Woerd, de Metaalkathedraal en de bioscoop CineMec. Twijfel is er over de haalbaarheid van een cultuurtrekker in het stadscentrum. Wel is er een creatieve samenwerking ontstaan tussen het Utrechts Centrum voor de Kunsten (UCK) in Vleuterweide en het Amadeus College.


Volgens voorlichter Dalmeijer is de hoger opgeleide middenklasse in Leidsche Rijn sterk vertegenwoordigd. Hij denkt dat hun in het algemeen hogere uitgavenpatroon zeker interessant is voor ondernemers (winkels, horeca enz) om zich daar te vestigen.


Op dit moment is de bouw van het nieuwe LR-Centrum het meest zichtbaar. Daar wordt ruim 27.000 vierkante meter vloeroppervlak gecreëerd voor winkels. De omstreden Jumbo Foodmarket neemt daarin met 5.600 m2 een belangrijke plek in. Voorts komt er 4.000 m2 horeca, 3.000 m2 voor maatschappelijke voorzieningen en 3.000 m2 dienstverlening.


Er worden in dit gebied 800 appartementen gebouwd en 11.500 m2 is er voor kantoorruimte. In totaal wordt er plek geschapen voor 2000 parkeerplaatsen.



<< terug naar overzicht