Maakt groei Utrecht gelukkig?

In vijf afleveringen probeert onderzoeksjournalist Louis Engelman een antwoord te krijgen op de vraag of ongebreidelde groei van Utrecht een goede zaak is. 

Deel 1

 

Mijn stad heeft voor groei gekozen. In de komende twintig jaar zullen er in Utrecht zo’n honderdduizend nieuwe inwoners bij komen. Van 352.000 naar 455.000. Na de toch al zo omvangrijke woningbouw in Leidsche Rijn lijkt dat een enorm aantal. Moeten we dat wel willen?


Die vraag speelde al enige tijd door mijn gedachten. Want wat betekent dat? Nu blijk ik in de afgelopen maanden niet de enige te zijn geweest die zich hierover het hoofd brak. In het AD/UN opperde columnist Jerry Goossens of er geen grenzen aan de groei zouden moeten worden gesteld. En onder een artikel van DUIC over dit onderwerp vroeg een bezorgde stadgenote of groei een onontkoombaar natuurverschijnsel was.


scherm1groei
Tot nu toe koos Utrecht vooral voor laagbouw waardoor de Dom
altijd goed zichtbaar bleef. Maar nu gaat de stad de hoogte in
(foto Louis Engelman)


Zelfs burgemeester Jan van Zanen vond in een interview dat het AD/UN eind december dat ‘alles zo ontzettend snel gaat’. ‘Voelen ouderen zich straks nog thuis in zo’n snel groeiende stad? Kunnen zij dat allemaal wel aan? En hoe gaan we om met de openbare ruimte?’


Juist twee weken daarvoor had het college de uitgangspunten van de uit 2016 daterende Ruimtelijke Strategie Utrecht opnieuw aangescherpt. Besloten werd de toename van het aantal inwoners van de stad vooral binnenstedelijk te realiseren.
Utrecht moet, aldus b. en w., een inclusieve stad worden, waarin plek is voor iedereen en waarin scheidslijnen en barrières worden geslecht. Daarbij moet de menging van verschillende woonvormen (huur-koop-prijsklasse) een basisprincipe worden voor de ruimtelijke inrichting.


De stad koos er uitdrukkelijk voor de woningbouw te faciliteren om te voorzien in de woningbehoefte. Vooralsnog zijn daarvoor gebieden als de Merwedekanaalzone, het Jaarbeurskwartier, de Cartesiusdriehoek en Leidsche Rijn aangewezen. De polder Rijnenburg blijft, hoewel omstreden, aangewezen als energiecentrum met windmolens en velden van zonnepanelen.

schermgroei1foto 2
Ondanks dat Utrecht de stad van Rietveld is wordt er in de woningbouw
weinig geëxperimenteerd, zoals hier in Oog in Al
(foto Louis Engelman)

 
Het bestuur probeert bij de bouw zelf de regie te houden. Zo zijn er bouwakkoorden afgesproken met projectontwikkelaars, hebben corporaties zich in prestatieafspraken verplicht meer te bouwen en de doorstroming te bevorderen en wordt er naar gestreefd in 2040 minstens 35 procent sociale huur, 25 procent middenhuur en betaalbare koop te hebben gerealiseerd.


Toch vraag ik me af hoe de situatie in dat jaar werkelijk zal zijn. Uitgaande van het Utrechtse coalitiemotto ‘Ruimte voor iedereen’ leeft bij mij toch de vrees dat er dan nog net zoveel woningnood is als nu. Kunnen er geen restricties worden gesteld aan de instroom? Bijvoorbeeld door woningzoekende Utrechters voorrang te geven op de koopmarkt?


En is het wel genoeg om alleen te bouwen binnen de eigen gemeentegrenzen? Zal de voorgenomen ‘compacte bouw’ – wat neerkomt op veel kleine appartementen – over enkele decennia niet het nieuwe stigma van achterstandswijken krijgen?


Eerlijk gezegd kan ik op die vragen zelf geen bevredigend antwoord geven. Misschien zie ik wel spoken. Daarom heb ik me gewend tot mensen die ervoor hebben doorgestudeerd. In de komende dagen publiceert Nieuws030.nl drie interviews met wetenschappers op het gebied van stedelijke ontwikkelingen.


Economisch geograaf Ton van Rietbergen (UU) maakt duidelijk in hoeverre de economie de stad beïnvloedt. Historicus Leen Dorsman (UU) geeft aan hoe de toename van het aantal studenten in Utrecht een nieuwe dynamiek veroorzaakte. En deskundige op het gebied van stedelijke vernieuwing aan de TU Delft, Maarten van Ham, plaatst de groei van de stad in Europees perspectief.•

__________________________________________________


‘Economie bepaalt alles’

Deel 2   Een interview met Ton van Rietbergen


Hij heeft drie kinderen die op het punt staan uit te vliegen om op zichzelf te gaan wonen. Maar om hen een voorrangspositie op de huizenmarkt te geven, alleen om het blote feit dat ze in Utrecht wonen, vindt Ton van Rietbergen geen goed idee. De economisch geograaf, docent en onderzoeker aan de Universiteit Utrecht, ziet maar één haalbare oplossing: bouwen!


Ton zegt te begrijpen dat de stad Utrecht hiervoor een akkoord heeft gesloten met corporaties en een reeks van bouwondernemingen. ‘Omdat het de enige mogelijkheid is om snel woningen te realiseren. Want als je het zelf niet kunt financieren en je afhankelijk bent van andere partijen, dan móét je wel’, is zijn opvatting. ‘Je zult er daarbij wel op moeten letten dat je zo’n overeenkomst ook kunt handhaven. Maar in beginsel geloof ik in dit type afspraken.’

 

Groei2Ton van Rietbergen
Ton van Rietbergen (foto: Ingrid de Coo)

Dat Utrecht voor een sterke groei heeft gekozen komt, aldus Van Rietbergen, niet uit de lucht vallen. Hij plaatst die keuze in een historische context, waarbij de economie en de leefbaarheid leidend zijn geweest. Beide zorgden in de afgelopen decennia voor twee tegenovergestelde stromingen.


Want waar de stad in 1970 nog 279.000 inwoners telde was dit cijfer in 1990 tot 230.000 teruggelopen. ‘De mensen trokken toen naar Maarssenbroek, Nieuwegein en Houten, vanuit de gedachte dat ze daar goedkoper konden wonen en meer ruimte ter beschikking hadden.
Ze vonden er een plezieriger leefomgeving omdat de grote steden in die tijd leden onder de negatieve perceptie van criminaliteit en drugsgebruik.’


Bovendien was, stelt hij, de structuur van de werkgelegenheid drastisch veranderd. ‘Grote industrieën als Werkspoor en Demka verdwenen uit de stad. De ‘arbeider’ van vroeger bestaat eigenlijk niet meer. Je zag dat overigens in het hele land gebeuren, denk aan Philips in Eindhoven. Daarnaast werd er ook werkgelegenheid uitgeplaatst. Zo ging het Antonius Ziekenhuis naar Nieuwegein.’


Maar in de jaren negentig van de vorige eeuw trad er een verandering op. Van Rietbergen noemt dat de periode van Tatcher en Reagan, waarbij het ‘marktdenken’ centraal werd gesteld. ‘Je zag veel kleine bedrijven ontstaan, in de ICT en dienstverlening. Bevolkt door hoogopgeleide zzp-ers die het liefst in de stad wilden zitten. Want daar konden ze hun netwerken opbouwen en opdrachten in de wacht slepen.’


In het algemeen, zo constateert hij, is het de economie die in een samenleving alle andere zaken aanstuurt. Maar in dit geval veranderde die ook zelf van karakter. Van Rietbergen: ‘Je zag onder jongeren een ‘belevingseconomie’ opkomen. Juist bij hen werden steden met een universiteit, een bruisend oud stadscentrum en een goed bereikbaar station populair.’ Zij vroegen niet meer om een kopje koffie, maar om een latte macchiato.’


Hij voegt daaraan toe dat de eco-modernisten sterk zijn gaan geloven in een levendige stad met daar omheen een leeg natuurlijk landschap. ‘Zij vinden het veel effectiever om overal dichtbij te zitten, geen auto te hebben en vrijwel alles op de fiets te kunnen doen.’
Die trend herkent Van Rietbergen onder meer in het autobezit in de steden. ‘Op het platteland ligt de norm nog op 1,8 per inwoner, in Utrecht zitten we al onder de 1 en in Amsterdam op 0,3.’


Het is een ontwikkeling die hij persoonlijk toejuicht. ‘Ik vind het één van de gekste fenomenen van deze tijd dat er nog nooit zoveel geld is geweest, maar dat de overheid heel terughoudend is in het vergroenen van de economie. De investeringen in het fietsgebruik zijn aanzienlijk minder dat die voor de auto. Er wordt heel veel geld uitgetrokken voor bijvoorbeeld een racecircuit in Zandvoort en voor de verbreding van de A-27 bij Amelisweerd. Terwijl je het natuurlijk niet in je hoofd zou moeten halen om zo’n fraai natuurgebied vlak bij de stad af te breken. Dat gaat gewoon niet samen.’

 

Groei2Uithof
Studentenflat ‘Johanna’ op het Utrecht Science Park (Uithof)


Als hij die lijn doortrekt denkt Ton van Rietbergen dat het best haalbaar zou moeten zijn om in de nieuw te bouwen wijk van de Merwedekanaalzone een autonorm van nul te realiseren. ‘Op voorwaarde dat er een perfect openbaar vervoer is, deelauto’s worden ingezet en er uitstekende fietsvoorzieningen zijn. Maar je moet dat wel durven afdwingen.’

Over de omvang van de woningbouw in de Merwedekanaalzone, waar de stad zo’n tienduizend appartementen wil realiseren, maakt hij zich niet zo druk. Hij gelooft niet dat dit ‘compacte bouwen’ in de toekomst tot deplorabele wijken en leegstand zou kunnen leiden. ‘Nee, daar zal altijd interesse voor bestaan. Vooral vanwege de ligging. Het gaat om, zoals de makelaars altijd roepen: locatie, locatie!’
Overigens vindt hij ook dat Utrecht veel meer wooneenheden in De Uithof zou moeten bouwen. ‘Nu zie je elke dag een enorme vervoersstroom vanaf het station.’

Als geen ander weet Ton van Rietbergen hoe moeilijk het kan zijn om beslissingen te nemen over de toekomst van de stad. Met enig mededogen kijkt hij daarom soms naar de Utrechtse raad. ‘Wat die leden allemaal te verstouwen krijgen aan dossiers, dat is bijna niet bij te houden. Maar ze steken er wel hun nek voor uit, ondanks vaak vele protesten. Daar heb ik bewondering voor. Uiteindelijk moeten zij de knopen doorhakken: wel of geen groei. Maar wat ze ook beslissen, het wordt hoe dan ook waanzinnig druk in Utrecht.’•


__________________________________________________________

 

‘Tweedeling is grootste gevaar’

Deel 3    Een gesprek met Leen Dorsman

 

Historicus Leen Dorsman doet een gedachtenexperiment. ‘In 1848 had de rijksoverheid een tekort op de onderwijsbegroting dat net zo groot was als de totale kosten van de Universiteit Utrecht. Er werd toen overwogen de UU op te heffen, wat gelukkig niet is doorgegaan. Maar bedenk eens welke gevolgen dat zou hebben gehad. Toen al brachten de professoren en de paar honderd studenten aan de universiteit veel geld de stad in. Burgers leefden daarvan. Hospita’s, schoonmaaksters tot aan de verkopers van pijptabak toe.’


De geschiedenisprofessor aan de UU wil er mee aangeven hoe belangrijk de positie van een instituut als de universiteit voor een stad kan zijn. En zeker in de hedendaagse situatie met een studentenaantal van circa 70.000, de hogeschool meegerekend.


Zou je die wegdenken, dan heeft dit een grote impact op de economie van de stad. Met name in de horeca. Maar ook het culturele leven zou daar onder te lijden hebben, denkt hij. ‘Vooral het theaterleven en muziekinstellingen zoals Tivoli/Vredenburg’. Daarnaast zou – vreest hij - een deel van het debat dat nu onder meer wordt gevoerd in centra als De Kargadoor uit de stad verdwijnen.


Dorsman vindt het daarom ingewikkeld om een antwoord te geven op de vraag of de verwachte snelle bevolkingstoename van Utrecht positief of negatief moet worden beoordeeld. Vanuit zijn specialisme – de rol van de universiteit in het stedelijk milieu – gelooft hij dat de groei van het aantal studenten Utrecht veel heeft gebracht. En hij juicht het daarbij toe dat niet alle faculteiten naar het Utrecht Science Park (Uithof) werden verplaatst.

 

Groei3Leen Dorsman 
Historicus Leen Dorsman  (foto Louis Engelman)

 
‘Er zijn gelukkig nog enkele clusters in de binnenstad gebleven. Zo zit Rechten rond het Janskerkhof en Achter St Pieter, heeft Geesteswetenschappen een plek aan de Drift en is de Bibliotheek aan de Wittevrouwenstraat gebleven. Als je die zou wegdenken, dan gaat de omgeving daar een beetje dood. De levendigheid verdwijnt dan.’


De gevaren voor de stad liggen volgens hem op een ander vlak. Die betreffen de tweedeling in de samenleving, waarbij rijk en arm meer en meer van elkaar vervreemden. Nu was het in het verleden ook wel zo, vertelt hij, dat de professoren er niet voor kozen om in Wijk-C te gaan wonen. Die zochten hun heil aan de Oude en Nieuwegracht. ‘Maar ze leefden allemaal nog dicht bij elkaar binnen de singels. En veel van de inwoners van de armere wijken werkten voor het meer welgestelde deel.’


Aan die samenleving kwam in de vorige eeuw een eind toen de stad uit haar voegen barstte en er specifieke arbeiderswijken werden gebouwd als Zuilen en Wittevrouwen. Later gevolgd door de trek naar de nieuwbouw in Maarssenbroek en Nieuwegein. Dorsman: ‘De stad veranderde in sociaal opzicht. De ‘echte Utrechters’ trokken naar die plaatsen omdat ze er betaalbare en betere woningen konden vinden. En veel professoren verhuisden naar De Bilt en Zeist. Daardoor is de sociale diversiteit in de stad deels verloren gegaan.’

 

 Groei3Oudegracht
Sfeer maakt Utrecht aantrekkelijk, zoals aan de Oudegracht
(foto Louis Engelman)

 
Op een andere manier ziet hij nu dezelfde ontwikkeling. ‘Door de schaarste op de woningmarkt zijn de huizenprijzen heel hoog geworden. Daardoor worden de mensen die zo’n woning niet kunnen bekostigen de stad uit gedreven. Er blijft dan een binnenstad over waar alleen rijkeren een plek kunnen vinden.’


Dorsman acht dat een verlies voor de stad. Hij constateert dat daardoor gemeenschappen uit elkaar worden geslagen, en noemt Sterrenwijk en Wijk-C als voorbeeld. ‘Die bewoners zijn de greep op hun eigen leven kwijtgeraakt. Ze hebben geen autonomie meer over hun bestaan, terwijl ze juist in een gemeenschap willen leven.’


Of dat helemaal kan worden vermeden, betwijfelt Dorsman. ‘Zeker nu niet, in deze tijd van globalisering en van neoliberale politiek. Men heeft ervoor gekozen zo min mogelijk in te grijpen in grote maatschappelijke processen. En eerlijk gezegd vind ik ook niet dat je iemand uit Deventer zou moeten verbieden om in Utrecht te komen wonen.’


Maar dat de gemeente beperkingen stelt aan de ontwikkelingen op de woningmarkt, acht hij logisch. ‘Ik vind het een goede zaak als er wordt opgetreden tegen de splitsing van woningen die daarna per deel duur worden verhuurd. En ik ben ook niet tegen een woonplicht voor huisjesmelkers. Waar het om gaat is dat je het wonen in de stad betaalbaar houdt, voor iedereen.’


Dat Utrecht haar nieuwbouw in een compacte vorm binnen de huidige gemeentegrens wil realiseren, vindt Dorsman wel te verdedigen. ‘Nog een polder opofferen? Dat is een lastige keuze, want er is al zo weinig natuur.’


Bovendien begrijpt hij heel goed dat jonge Utrechters zo dicht mogelijk bij de binnenstad willen wonen. ‘Maar dat betekent niet dat je in die nieuwe wijken geen voorzieningen op het gebied van vermaak en uitgaan zou moeten plannen. Juist plek geven aan eigen restaurants en eventueel een theater maakt zo’n nieuwbouwwijk minder onpersoonlijk. Nu is er toch al te veel geconcentreerd rondom de Oudegracht.’•

 

__________________________________________________________

 

Bescheiden rol voor Utrecht


Deel 4  Een interview met stedebouwkundige Maarten van Ham

 

Maarten van Ham (TU Delft) heeft er geen moeite mee zijn geboortestad een bescheiden rol binnen de Europese verstedelijkte gebieden toe te kennen: ‘Utrecht is met 350.000 inwoners eigenlijk een kleine stad, zegt hij. ‘Ze maakt deel uit van het grotere verstedelijkte gebied van de Randstad, waarbinnen de woningmarkt deels als overloop voor Amsterdam functioneert.’

 

De professor voor stedelijke vernieuwing aan de Technische Universiteit Delft bedoelt daar niets denigrerends mee. Maar hij kan geen andere conclusie trekken wanneer hij Utrecht en de Randstad in het perspectief van de metropolen in Europa plaatst, zoals de miljoenenagglomeraties Parijs en Londen.

 

Zelfs Amsterdam beziet hij niet als losstaande woonstad. ‘Die maakt net zo goed deel uit van de vier grote steden die samen de Randstad vormen.’ Een proces dat, zegt hij, al meer dan vijftig jaar terug werd ingezet. ‘Reeds in 1966 werd deze regio door de Brit Peter Hall in zijn boek The World Cities, aangemerkt als ‘metropolian explosion’. Met dezelfde kenmerken als Moskou, Tokyo, het Rhein-Ruhrgebied, Londen en Parijs.

 

Groei4Maarten van Ham
Stedenbouwkundige Maarten van Ham
(foto TU Delft)

 

En daar horen soortgelijke verschijnselen bij. Druk op de woningmarkt, vervoersproblemen en de ruimtelijke tweedeling tussen arm en rijk. Van Ham: ‘Een collega van mij in Londen moet elke dag twee uur treinen om op zijn werkplek te kunnen komen. Nou heeft hij een modaal salaris, maar ook voor hem zijn de huren in het centrum niet meer te betalen.’

 

Gelukkig is de Domstad, vindt Van Ham, qua prijsniveau nog niet te vergelijken met Londen en Parijs. Daarnaast wijst hij op een ander groot verschil. ‘Utrecht is binnen de Randstad een zelfstandige stad gebleven. ‘Met een gemengde bevolking, veel sociale huurwoningen en daardoor relatief goedkoop. Door het mooie historische centrum is ook de menselijke maat bewaard gebleven. Op de fiets ben je binnen een half uur van de ene naar de andere kant van de stad.’

 

Dat neemt echter niet weg dat de vergroting volgens hem onafwendbaar is. ‘Je kunt om Utrecht geen muur heen zetten. Het effect ervan zou zijn dat de woningprijzen door de krapte nog verder zullen stijgen. Alleen door veel bij te bouwen kan je die trend een beetje dempen.’

 

Hij wijst er overigens op dat de belangstelling voor een woning in Utrecht niet van alle tijden is geweest. ‘In de jaren zestig van de vorige eeuw trok de middenklasse naar de buitenwijken Kanaleneiland en Overvecht, en vervolgens naar Nieuwegein, Maarssenbroek en Houten. Voor hen was de binnenstad helemaal niet zo aantrekkelijk met slechte huizen en dicht bij elkaar. De bestaande stad verarmde daardoor.’

 

Een tweede verandering trad op in de jaren zeventig toen migranten de vrijkomende woningen betrokken. Zij vormde echter geen kapitaalkrachtige groep. Volgens Van Ham keerde het tij pas in de jaren negentig door de woningverbetering, de sterke toename van het aantal studenten en de herwaardering voor de oude stad.
‘Door hen werd die in feite opnieuw uitgevonden. Zij waarderen de binnenstad veel meer, niet in het minst ook door de economische veranderingen. Door de komst van de kennisindustrie is er voor hen veel werkgelegenheid geschapen. Met als resultaat dat ze na hun studie het liefst in Utrecht blijven wonen. Een jarenlange krimp is daardoor eigenlijk pas recent omgebogen.’

 

Diezelfde trend is volgens hem ook in Amsterdam vast te stellen. ‘Ondanks de grote toevloed wonen daar nu evenveel mensen als in de jaren zestig. Maar met één groot verschil: in veel meer huizen. De huidige inwoners willen meer ruimte hebben. En er zijn aanzienlijk meer alleenstaanden dan vroeger, zowel onder jongeren als ouderen. Ik denk dat die groep in de toekomst alleen maar groter wordt. Dat zorgt voor een blijvende druk op de woningmarkt.’

 

Voor Utrecht zit er wat dat betreft, meent Van Ham, weinig anders op dan veel te bouwen. ‘Je kunt de vraag niet tegenhouden. Ook van buiten de stad. In Europees verband is er afgesproken dat we de regel van vrije vestiging hanteren. Dus kan je niet discrimineren door restricties te stellen. Ik geloof ook niet in zo’n beleid.’

 

Groei4Zijdebalen
De belangstelling voor het wonen in het centrum van de staat is sterk
toegenomen blijkt ook in Zijdebalen
(foto Louis Engelman)

 

Het confronteert Utrecht, constateert hij, wel met de vraag hoe je de groei moet opvangen. ‘Hoe organiseer je dat? Ga je de weilanden in, of bouw compact binnen de eigen grens? Kies je voor de hoogte? Hoeveel toegang bied je de auto, of richt je je vooral op de fiets?’

 

Bij die afwegingen moet volgens Van Ham primair de vraag worden beantwoord: hoe houd je de stad leefbaar? ‘Utrecht is nu nog fantastisch om in te wonen. Maar hoe voorkom je dat de tweedeling, die internationaal zo zichtbaar is geworden, zich ook hier voltrekt? Daarom moet je je bij de bouw van woningen ook afvragen of je wel de juiste huizen neerzet.’

 

In dat verband kijkt hij kritisch naar de trend van microwoningen. ‘Die lijken wel mooi, omdat ze bouwtechnisch minder milieubelastend zijn en je minder spullen kwijt kunt. Maar ik zie het vooral als een uitvinding van de vastgoedsector. Die wil ook de bestaande panden het liefst in stukjes opknippen en als kleine woningen aanbieden. Bij jongeren zijn die nu populair omdat ze betaalbaar zijn. Maar dat wordt anders als die later kinderen krijgen.’

 

Van Ham waarschuwt er daarom voor om massaal minuscule appartementen te bouwen, die straks niet meer in trek zijn. Eerder pleit hij voor een sterk gedifferentieerde bouw binnen de wijken, in flexibele panden die later zijn te splitsen of samen te voegen. Maar in elk geval zo dat de middenklasse voor de stad behouden blijft.•

__________________________________________________

 

Beleid zo gek nog niet

Deel 5  De conclusie

 

Utrecht doet het zo gek nog niet. Eigenlijk is dat de conclusie na mijn gesprekken met wetenschappers over de vraag of de stad in de komende twintig jaar wel met honderdduizend inwoners moet groeien.
Want dat die bevolkingstoename eraan komt achten zijn feitelijk onvermijdelijk. Het aantal inwoners van Nederland vertoont een stijgende lijn en Utrecht krijgt daar gewoon haar deel van. Of ze wil of niet.


Stedenbouwkundige Maarten van Ham (TU Delft) maakt duidelijk dat onze stad ook maar een onderdeel is van één van de grote stedelijke agglomeraties in Europa: de Randstad. Daar vinden volgens hem dezelfde processen plaats als in de metropolen Londen, Parijs en het Rhein-Ruhrgebied. Vanuit dat perspectief zegt hij dat het onmogelijk is om een muur om Utrecht heen te zetten.


Sociaalgeograaf  Ton van Rietbergen (UU) is dat met hem eens. Restricties aanbrengen op de woningmarkt, zoals bijvoorbeeld voorrang geven aan de eigen bevolking bij de koop van woningen, vindt hij geen goed idee. Veel bouwen is, denkt hij, een aanzienlijk betere oplossing.


Ook historicus Leen Dorsman (UU) ziet in een toename van de bevolking niets negatiefs. Hij herinnert eraan dat de enorme groei van het aantal studenten Utrecht een nieuwe dynamiek heeft gegeven. Met name de binnenstad heeft daar veel profijt van gehad.
Van Ham sluit zich daar bij aan: ‘In de jaren negentig leidde dat tot een herwaardering voor de oude stad, waar door de komst van de kennisindustrie veel nieuwe werkgelegenheid werd geschapen.’


Alle drie de professoren hebben begrip voor de keuzes van het Utrechtse college, neergelegd in het coalitieakkoord onder de naam ‘Ruimte voor iedereen’. Binnen de Europese afspraken over de vrije vestiging van burgers kan dat ook niet anders.


Maar ze onderkennen ook de gevaren. Zo waarschuwen ze voor een ruimtelijke tweedeling tussen arm en rijk, waardoor deze groepen van elkaar dreigen te vervreemden. Onder meer doordat minder draagkrachtigen door de hoge huizenprijzen de stad uitgejaagd worden.


Uitgangspunt, vinden zij, moet de vraag zijn hoe je de stad leefbaar houdt. Hoe en waar ga je bouwen? Op dat punt lopen de meningen lichtjes uiteen. Van Ham kijkt kritisch naar de trend om steeds meer kleine woningen te realiseren. Maar Van Rietbergen gelooft juist dat voor deze ‘compacte’ bouwvorm altijd wel interesse zal blijven bestaan. Zolang ze op een goede locatie liggen. Dorsman onderstreept het belang van een gemengde wijkbevolking, die alleen is te bereiken als de stad voor iedereen betaalbaar blijft.


Bellevue
Nabij de Gele Brug komt een appartementencomplex
in terrasbouw van 144 woningen
(foto Bouwbedrijf Heijmans)

 
Een oplossing daarvoor zou volgens Van Ham de bouw van flexibele huizen kunnen zijn, die aan de eisen van de tijd kunnen worden aangepast door splitsing of samenvoeging. Daar bovenop ziet Dorsman wel wat in een woonplicht voor huisjesmelkers om hen zo de wind uit de zeilen te nemen. En Van Rietbergen wil graag een groter aandeel (studenten)woningen in De Uithof  om de dagelijkse vervoersstroom vanaf het station te verminderen. Alles bij elkaar pleiten ze feitelijk voor wat het college ‘een inclusieve stad’ noemt waarin plek is voor iedereen.


Tegelijkertijd geven de professoren indirect antwoord op mijn openingsvraag: Maakt groei Utrecht gelukkig? Die moet volgens hen zijn: ‘Hóé maak je Utrechters gelukkig? Met ander woorden: welk beleid moet er worden gevoerd? Mijn voorlopige conclusie na de gesprekken is dan: ons bestuur doet het zo gek nog niet.•

 

Met dank aan Nieuws030

 

 



<< terug naar overzicht