Utrechts straten

Paapse bres in Bijbelbelt

Mistroostigheid schijnt goed te zijn voor de kunsten. Tijdens het interbellum, de periode tussen 1918 en 1940, wonen door een wonderlijk toeval veel grote schrijvers en dichters korte of langere tijd in Utrecht. Bijna allemaal beklagen zij zich over het benepen, doodse, karakter van de stad.


Tegelijk is Utrecht in diezelfde tijd een bron van bruisende katholieke artistieke activiteit. De stad is de springplank voor ambitieuze kunstenaars uit het zuiden die in de Randstad aan de slag willen. Deels vinden zij werk in Utrecht dankzij de vele opdrachten die gemoeid zijn met de kerkenbouw. In Utrecht botsen als vanouds de strenge calvinistische leer en de katholieke uitbundigheid.

 

SchermPaapse BresP.-Ritter-en-C.-Ritter---Landr-duo- 
Literatuurpaus P. H. Ritter jr. aan de thee met z’n vrouw Cornélie

 

In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw is die strijd nog volop aan de gang. Door haar ligging is de stad vanouds de poort voor het zuiden naar het rijke noorden. Wie de landkaart van de Bijbelgordel door ons land bekijkt, ziet een bres ter hoogte van Utrecht. Al honderden jaren is hier een fors deel van de bevolking (30 tot 40 procent) katholiek, maar bestuurlijk en wetenschappelijk zijn het sinds de Reformatie de protestanten die tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw de lakens en de baantjes uitdelen. Zoiets slaat dood. De Utrechtse universiteit werd in 1636 gesticht als orthodoxe calvinistische tegenhanger van het liberale Leiden. Bij het driehonderdjarig bestaan In 1936 ontstaat een rel, als die grondslag nog eens wordt bevestigd.


Petroleumfaculteit
Utrecht is de bakermat van de Aprilbeweging, die in 1853 tekeergaat tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie, de opmars van de katholieken in Nederland. Het is een serieuze poging tot een staatsgreep. Thorbecke treedt af. In 1925 krijgt Utrecht de petroleumfaculteit. Het oliekapitaal en aanverwanten is ontevreden over de ethische politiek, die de hoogleraren in Leiden voorstaan. Onder leiding van dichter-schrijver-oliemannetje-protofascist F.C. Gerretson komt er in het veilige, conservatieve Utrecht een opleiding waar het koloniaal kader weer de zweep leert hanteren. In dit klimaat mogen de Nederlandse literatoren hun werk doen. Waarschijnlijk is het toeval, waarom de stad opeens zo veel schrijftalent bergt. Een flink aantal studeert hier en ontpopt zich, zoals Albert Alberts, Anton Koolhaas, Leo Vroman, Martinus Nijhoff, Hendrik Marsman en Annie Salomons.


Dada-avond
De andere grote steden, Amsterdam, Rotterdam en in mindere mate Den Haag hebben dan al een rijk cultureel leven. In Utrecht lukt niets; behalve een opzienbarende Dada-avond in 1923. Notabene het laatste spektakel van de internationale Dada-beweging. Utrecht als het ultieme graf. Soms werken de Utrechtse schrijvers in een betrekkelijk isolement. Zo duurt het enkele maanden voordat Jan Engelman ontdekt dat een verdieping hoger, op het befaamde adres Oudegracht 341, Martinus Nijhoff zijn huisgenoot is. Toch heeft de literatuur in de Domstad een machtige sympathisant in de persoon van dr P. H. Ritter jr, van 1918 tot 1934 hoofdredacteur van het Utrechtsch Dagblad. Ritter is verknocht aan de letteren en beheerst dan al de wetten van de multimediale marketing. Zijn literaire praatjes voor de AVRO-radio, gedurende zo’n dertig jaar, hebben veel invloed. Voor hem is Utrecht een stad waar men onherroepelijk ‘verkloostert’. 

Magneet
Maar de katholieken roeren zich. In 1924 richten Louis Kuitenbrouwer (bekend als Albert Kuyle) en Jan Engelman met enkele kompanen het blad De Gemeenschap op. De redactie, gevestigd op Oudegracht 55, werkt als een magneet op jonge katholieke kunstenaars. Maar al snel botert het niet tussen de strenge Kuitenbrouwer en de vrijzinnige Jan Engelman. De laatste zoekt zijn heil tijdelijk elders. Maar na een gewiekste ingreep van redactielid Anton van Duinkerken, wordt Kuitenbrouwer gewipt. Hij begint het blad De Nieuwe Gemeenschap en ontwikkelt zich tot onversneden fascist. Engelman keert terug bij De Gemeenschap en vaart samen met Van Duinkerken een antifascistische koers. In het ‘kleinburgerlijk moeras’, zoals de stad ook wel is genoemd, kon dus toch ook iets moois groeien.
(Met dank aan Niels Bokhove)

 

Uit de Binnenstadskrant Utrecht nummer 3, 2018.
Geschreven door Bert Determeijer.


<< terug naar overzicht