Utrechts straten

Geprangde droomtoren

Het was een burcht tegen de cholera. Het was een elegant waterkasteel met heuse kantelen. Maar altijd bleef het een geprangde toren. De oudste watertoren van Utrecht, op de Lauwerhof, staat wonderlijk ingepakt tussen woningen. Er is waarschijnlijk geen watertoren in Nederland die zo op de vierkante meter is gebouwd. En daarmee is het bij uitstek een Utrechtse toren.
 

scherm© Kateleine Passchier
© Kateleine Passchier

 

De Zeven Steegjes waren in de jaren zestig van de negentiende eeuw net gebouwd en daarmee was alle ruimte binnen de singels wel zo’n beetje bezet. De stad was zwaar getroffen door de cholera en de vraag naar schoon drinkwater nam sterk toe. Er was behoefte aan een watertoren, maar directeur P.E. Rijk van de Utrechtse Waterleiding Maatschappij kreeg geen vergunning van het gemeentebestuur. Uit balorigheid besloot hij een toren in zijn eigen achtertuin te bouwen. Het werd meteen een kanjer, met een waterreservoir van 1500 kubieke meter dat de grootste was van het land. Sinds 1895 staat de toren er, 39 meter hoog.

 

Animaties
Het was destijds puzzelen. Dat is het nog steeds. ‘De huizen zo dichtbij is zo bijzonder, maar dat is ook de uitdaging’, zegt Harm Aarts. Sinds een jaar is deze computerprogrammeur eigenaar van de toren. Voor 265.000 euro mocht hij na een strenge selectie het gevaarte van waterleidingmaatschappij Vitens overnemen.

 

De nieuwe eigenaar had het meest doordachte plan, waarbij ook rekening wordt gehouden met de omgeving. Dit betekent dat er geen activiteiten kunnen plaatsvinden die veel publiek trekken of veel goederentransport vergen. Daarom is het plan voor een brouwerij al afgeketst, vanwege de gebrekkige logistieke ruimte.

 

Op de begane grond werken nu creatieve zzp-ers. Tussen dikke gietijzeren leidingen tekent Eric Taal zijn animaties. Aarts: ‘En ’s morgens hebben we ook zon.’ Hogerop komen appartementen en werkruimtes, maar dat gaat niet zonder haperingen. Begin oktober meldde Aarts op zijn site dat de oorspronkelijke aannemer ‘de handdoek in de ring had gegooid.’ Maar dat inmiddels nieuwe bouwers aan het werk zijn. ‘Ik heb wel eens gedacht: jeetje, ik heb het onderschat’, geeft hij toe.

 

Onzichtbare ramen
Hij blijft blijmoedig. ‘Het is de enige toren met zo’n klassieke monumentale status en zo’n potentie.’ De lichtinval is nog wel een dingetje. In de hals, het middenstuk onder de uitbouw, zitten piepkleine raampjes. Ideaal voor lichtschuwe kluizenaars, maar die zijn zeldzaam. Aarts denkt nu onzichtbare ramen te maken. Door bakstenen om en om te verwijderen ontstaat een rastereffect. Daardoor komt er binnen meer uitzicht en licht, zonder dat het vanaf de grond is te zien.

 

Met de bank is afgesproken dat het karwei in twee fasen gaat. Over acht à tien jaar start de tweede fase. Dan is er geld en tijd voor de zware ingrepen. Een lift, verdiepingsvloeren en een dakpaviljoen. Pas dan gaan Aarts en zijn gezin er zelf wonen. De ondernemer puzzelt nog volop. ‘Het gaat niet alleen om de bestendigheid van de toren, maar ook om de relatie met de omgeving. Stel je voor dat we hier een buurtbatterij zouden kunnen bouwen voor seizoensopslag van energie. Dat je ook iets teruglevert aan de buurt. Dat is mijn echte droom.’ •
 

Geschreven door Bert Determeijer
Uit de Binnenstadskrant nummer 5, 2018


<< terug naar overzicht