Grote dichters in een beklemmende stad

Een beklemmende Binnenstad, daar dichtten ze over in het interbellum. Maar het was in die tijd tussen de twee wereldoorlogen een dichtersparadijs: leven, studie, werk van nationale coryfeeën, waaronder H.Marsman, M.Nijhoff en J.Engelman, ontkiemde en bloeide hier. Het Utrechtst is C.C.S.Crone, chroniqueur van de Binnenstadsbewoners in crisistijd. Ruim vijftig jaar later herleeft de dichtkunst met Heytzes Utrecht Maffia.

Zeester
‘Dromend liep ik langs het slapend water tussen de stille huizen […], beneden op de werf. Aan het andere eind van de gracht stond ik een ogenblik stil voor Paushuize, op den mooisten vijfsprong der stad.’ Hendrik Marsman (1899) geniet van stilte en schoonheid als hij van zijn woning Oudwijkerlaan 4 naar zijn advocatenkantoor Domstraat 8 wandelt. Deze locatie keert terug in zijn gedicht ‘Tempel en Kruis’ als ‘het vredig makelaarskantoor / dat op den hoek tussen twee grachten ligt / aan ’t plein als een zeester in het zand’. De advocaat Marsman koestert de Utrechtse clientèle en de droge humor, maar beschimpt Utrechtse benepenheid: ‘nergens ter wereld / heeft een kleinburgerlijke actualiteit / zich zo voornaam versierd met het tot op de draad / versleten goudbrokaat der middeleeuwen’. De nietzscheaanse vitalist flirt en breekt – met in Utrechtse kunstenaarskringen aangehangen katholicisme en fascisme. Kort nadat hij in 1940 ‘Tempel en Kruis’ afsluit met hoop op hernieuwing van de Mediterrane cultuur, sterft hij in de Golf van Biskaje door een Duitse zeemijn.

Zoekend naar een reisgenoot
Martinus Nijhoff (1894-1953) woont op de Oosterstraat 9 - daarna in kunstenaarshuis Oudegracht 341 – terwijl hij in 1934 in kunstenaarscafé Flora (Lucas Bolwerk 1, nu café Villa Orloff) inspiratie voor ‘Awater’ opdoet. In dit lange gedicht volgt hij, zoekend naar een reisgenoot, een man, vanaf kantoor – ‘Ik meen, hij is accountant of zoiets.’ […] ‘heet daar Awater’ – via kroeg en kapper naar het treinstation. De Utrechtse literatuurhistoricus Niels Bokhove reconstrueert in ‘Awaters Spoor’ (2010) historische locaties die aan de basis van het gedicht liggen: van het Jugendstilgebouw De Utrecht (nu Smakkelaarsveld), waar Awater ‘komt gesneld van boven, zandstenen trappen af langs slangen koper.’, via Reisbureau Lindeman (Janskerkhof 11, nu Laurent Kapsalon), ‘bij de plaat der scheepvaartlijn / waarop een Bedouïn in de woestijn / een schip begroet dat over zee verschijnt’ tot aan het Maliebaanstation (nu Spoorwegmuseum), waar Nijhoffs Oriënt-Express vertrekt. In Nijhoffs biografische stadswandeling vinden we, net als in Marsmans cultuurkritiek ‘Tempel en Kruis, een benauwende (Binnen)stad en een uitvlucht naar een exotisch oord.

Zachte idioten
‘Utrecht stad van zachte idioten. Ik werd er zelf geboren’ C.C.S. Crone 1914-1951’. Deze regel staat op de plaquette in de stoep voor Oudkerkhof 26, waar de ‘Utrechtste aller literatoren’ opgroeit boven moeders dames-ondergoedwinkel (nu heren maatkledingzaak). In zijn bondig oeuvre, verzameld in de Schuiftrompet, beschrijft Crone in de vorm van stadswandelingen de zorgen en angsten van de Binnenstadsbewoner: ‘Ze had zich eerst verbeeld, dat de ellende als een klamheid in haar kleren kroop, en na haar wandelingen door de straatjes en sloppen, [Zeven Steegjes] waar haar geld en goede woord een troost betekenden, ieder keer een andere japon gekozen; de neerslachtigheid bleek ook haar zelf te hebben aangetast.’ Nadat ik [redacteur] haar de Schuiftrompet gaf, zei een vriendin: ‘Zo deprimerend, heb het neergelegd’. Ik ook, maar ik pakte het telkens op. Crone sluit je op in de Binnenstad: hier geen uitweg zoals bij Marsman en Nijhoff.

Klankdichter en estheet
Jan Engelman (1900-1972), oom van C.C.S.Crone, groeit op boven de ouderlijke viswinkel (Vismarkt 13, nu Graaf Floris). Met tijdschrift De Gemeenschap (gevestigd Oudegracht 55, nu appartementen) verheft hij het katholieke volksdeel. De klankdichter en estheet – ‘Zacht klatert water in de avondvree / en mensen zitten neder op den rand van een fontein, / zoo roerloos, zoo gelaten moet mijn stad wel zijn – / ik vind haar wezen en ik neem het zingend mee.’ – vindt de activistische vitalist Albert Kuyle tegenover zich. Deze splitst zich af met De Nieuwe Gemeenschap, collaboreert en krijgt na de oorlog een publicatieverbod. Nadat Engelmans rol als ‘kunstpaus van het aartsbisdom’ gedoofd is, keert hij zich met comité ‘Binnenstad en Singels’ (1958) tegen vernietiging van het historisch centrum: ‘Er is op smakelooze wijze aan de atmosfeer […] van de bisschopsstad geknoeid, en dat proces van proletarisering schrijdt […] nog steeds voort.’

Schone Zakdoek
Dichten blijft: op de Bemuurde Weerd 5 verschijnt gedurende de oorlogsjaren 1941-1944 onder leiding van Theo van Baaren ondergronds en in een oplage van één exemplaar’ De Schone Zakdoek’, Nederlands enige surrealistisch tijdschrift. Na de oorlog vermengen de Binnenstadsbewoners Dirkje Kuik, Dick Bruna (beiden Oude Kamp) en Alain Teister (atelier Kleine Geertekerkhof) dicht- en beeldende kunst. Rond 1995 luidt de Utrecht Maffia met Ingmar Heytze vanuit theatercafé De Bastaard een nieuwe bloeiperiode in. Met Heytze - ‘Utrecht mijn universum’ […] ‘waar je niet weg kunt en niet blijven.’ – kom je de Binnenstad ook niet uit, maar dichtersgilde, straatpoëzie, Poetry-Slam en –pop hebben dichtkunst in de Domstad wel luchtiger, luider en leuker gemaakt. •

Geschreven door Onno Reichwein.
Uit de Binnenstadskrant nummer 3, 2018.


<< terug naar overzicht