Stad met de mooiste maquettes

Stadsarchivaris Samuel Muller Fz trapte eind negentiende eeuw ongenadig tegen de plaatselijke schenen. Hij had Utrecht de ‘Koningin der dode steden’ genoemd en dat viel dus niet in goede aarde bij de autoriteiten. Na een stevige discussie, want Muller was internationaal een gezaghebbend vakman, gaf hij toe dat zijn denigrerende oordeel betrekking had op het verleden. Inmiddels was de stad bezig aan een revival.

 

De autoriteiten hadden deels gelijk. Sinds de reformatie en de bloei van Amsterdam was de eens zo trotse kerkenstad weliswaar verschrompeld tot rancuneus conservatisme. Er wilde weinig groeien, behalve orthodox calvinisme. Maar de spoortrein had nieuw leven gebracht en sinds 1870 was de Oudegracht zelfs een befaamde winkelpromenade, die aan Brussel kon tippen.
Toch konden de funshoppers van destijds de stad nog niet uit het moeras trekken. Ook de Jaarbeurs, opgericht in 1916, had slechts incidenteel effect. Tot ver in de jaren vijftig ging in ondernemerskring de mop van twee beursbezoekers die tevreden in een bar zitten, maar om elf uur moeten opstappen, omdat de barman in Amsterdam nog een pilsje wil drinken. ‘Het mooiste aan Utrecht is de trein naar Amsterdam’, was het adagium van de criticasters.

 


De Voorstraat rond 1930 


Ruimte voor de auto

De stilstand van Utrecht, ook in geestelijk opzicht, bleef legendarisch, waarover menig schrijver en dichter tussen de wereldoorlogen verslag deed. Hoogstens diende zij als springplank voor losgeslagen zuidelijke katholieken naar Holland, zoals de kring rond het blad De Gemeenschap.

Pas in 1954 mocht ‘de stad met de mooiste maquettes’, zoals de NRC sneerde, eindelijk groeien.
Het Amsterdam-Rijnkanaal was net geopend, hetgeen revolutionaire perspectieven zou bieden. (Dit bleek een misvatting, want de boten voeren vooral langs de stad.) Voorts kwam er na veertig jaar lobbyen een grote grenswijziging, waardoor het grondgebied van Utrecht ruimschoots verdubbelde. Jarenlang had de stad op slot gezeten en waren de kapitaalkrachtigen uitgeweken naar de omliggende bossen. Nu hoopte het gemeentebestuur ze terug te kunnen lokken. Daartoe werd alle ruimte gegeven aan de auto, zoals overigens in heel Nederland toen gebruikelijk was. Op instigatie van de ANWB zou de gerenommeerde Duitse verkeersdeskundige Max Feuchtinger, geschoold in het repareren van gebombardeerde steden, een verkeersplan voor de stad maken. Hij bepleitte reusachtige verkeersdoorbraken en het dempen van de singels. ‘Utrecht dreigt het proefkonijn te worden van de verkeersslavernij, waardoor het hele land wordt ontluisterd’, waarschuwde de Utrechtse schrijver/journalist dr P.H. Ritter jr. Voor de stad werd 1955 zelfs het ’rampjaar’, memoreerde het Jaarboek Oud-Utrecht in 1973.

 

 
Stationsgebied rond 1970 

Invasie van jongeren
Er ontstond massaal verzet, waardoor er voorlopig niets gebeurde. Maar de stad veranderde wel. Dankzij de grenswijziging van 1954 kon er gebouwd worden in Overvecht, Kanaleneiland en Hoograven. De geboortegolf ging studeren, wat in de jaren zestig tot een invasie van jongeren leidde, terwijl veel autochtone Utrechters vertrokken naar de groeikernen Nieuwegein, Maarssenbroek en Houten. In 1970 veroorzaakte dat een aardverschuiving in de plaatselijke politiek. Er kwam een omslag in het denken over de stad. Niet meer louter economische functies, zoals winkels en kantoren, stonden centraal, maar ook wonen en uitgaan kregen aandacht. Maar in 1970 was de grootste aanslag op de Binnenstad al aan de gang. In 1968 begon de aanleg van de spuikoker die nodig was om de Catharijnesingel te kunnen dempen. En in 1970 startte de sloop van het Jaarbeursgebouw op het Vredenburg. Dit alles ten behoeve van de bouw van Hoog Catharijne, destijds het grootste overdekte winkelcentrum van Europa. De bouw van zoveel beton in een middeleeuwse stad was zelden vertoond. Utrecht veranderde definitief.

 

Januskop
Overigens werd de stad nog steeds niet voor vol aangezien. In de jaren tachtig probeerden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag Utrecht uit de Randstad te gooien. Dan konden ze alle rijkssubsidies voor de Randstad met z’n drieën verdelen. De aanval mislukte, dankzij de inzet van de rector-magnificus van de universiteit, prof. dr. Hans van Ginkel. De sociaal-geograaf schetste destijds de precaire positie van Utrecht: ‘De ene keer horen we bij de Randstad, de andere keer bij de provincie. Die Januskop moeten we koesteren.’
Inmiddels heeft de stad geen keus meer. Met de bouw van Leidsche Rijn en het Utrecht Centrum/City/CU/ enz-project is ze de snelst groeiende stad van Nederland. Dat is toch een prestatie voor een dode koningin •


Uit de Binnenstadskrant nummer 5, 2016

 

Geschreven door Bert Determeijer
Foto's uit Het Utrechts Archief


<< terug naar overzicht