Maak van Utrecht geen vliegveld

6 februari 2021
door Jasper Bongers en Duco Heijs
liefhebbers van de Binnenstad

 

De architectuurjournalist Darran Anderson analyseert in het tijdschrift The Atlantic de opmars van de zogenaamde ‘non-place’. De reislustige Anderson wordt na een nachtje doorzakken wakker op een bed met neutraal beddengoed, in een degelijk hotel met een uniforme uitstraling. Hij weet niet waar hij is. Hij doet de deur van zijn hotelkamer open en loopt de gang op. Beige tapijt, kamernummers in een Verdana-achtig font. Anderson neemt de lift naar de begane grond. Daar wacht een medewerker in een smetteloos zwart pak op hem die hem in accentloos KLM-Engels goedemorgen wenst. Anderson kan overal zijn, van Albuquerque tot Zürich. De zogenaamde ‘non-place’ is overal en tegelijk nergens. Het archetype ‘non-place’ is een vliegveld, maar Anderson constateert dat deze plekken steeds meer opduiken in steden. 


Ook in Utrecht neemt de plaatsloosheid een vlucht. Denk aan het CU2030-project en Hoog Catharijne. En wat is er eigenlijk Utrechts aan ons Centraal Station? Het zijn constructies die overal hadden kunnen staan, en ze staan ook overal. De bouwwerken bestaan voor een overdadig gedeelte uit glas, met een beetje staal en heel weinig eigenheid. Het toonbeeld van plaatsloosheid in Utrecht is misschien wel de zogenaamde Galaxy Tower, die in de buurt van het Centraal Station gebouwd wordt. Dit nieuwbouwproject lijkt rechtstreeks uit de mal voor generieke gebouwen in een middelgrote Amerikaanse stad te komen. Dat geldt gelukkig niet voor iedere woontoren. Soms gaat het beter, zoals bij De Syp, een andere kolos die in naam van CU2030 gebouwd is. Hier is een deel van de oorspronkelijke bebouwing intact gelaten, en is de nieuwe plaatsloze constructie bovenop het oude Utrechtse gebouw verrezen (zie foto). Maar als wij alle CU2030-torens nagaan, moeten we helaas constateren dat De Syp de enige in zijn soort is, het gros lijkt op de Galaxy.


Het stationsgebied lijkt een natuurlijke habitat voor plaatsloosheid, maar het fenomeen begint zich alarmerend genoeg ook te nestelen in het oude centrum van Utrecht. Voorbeeld hiervan is het zogenoemde “House Modernes”, een grote glazen moloch die verrijst op plek van het (toegegeven: ook niet bepaald charmante) winkelgebouw De Planeet op de hoek van de Oudegracht en de Lange Viestraat.

 

scherm2pleidooi
Het oude rijksmonument (Van Sijpesteijnkade nr. 25) fungeert als entree
van de moderne toren © Jasper Bongers

 

De plaatsloosheid heeft nog niet gewonnen, zeker in Utrecht niet. Onze stad heeft geleerd van de fouten die in de jaren zeventig gemaakt zijn: tegenwoordig is men van mening dat de singels nooit gedempt hadden mogen worden en dat het fameuze Jugendstil-gebouw De Utrecht had moeten blijven staan. Op aandrang van de bevolking is er de laatste tijd al veel goedgemaakt. Inmiddels gaan de singels weer rond. En de chimaera’s die het gebouw De Utrecht bewaakten zijn, als een vlag op een modderschuit, teruggeplaatst boven één van de ingangen van Hoog Catharijne (zie foto). 

 

scherm1pleidooi

schermpleidooi4De ‘draken’ tussen de gerenoveerde onderlaag en de oude bovenlaag van Hoog Catharijne
bij het Smakkelaarsveld © Jasper Bongers

 

Steden die zich niet vernieuwen worden een museum (zoals Venetië) of een krot (zoals, tot voor kort, Luik); terwijl steden die alleen maar voor het nieuwe kiezen hun karakter verliezen. Maar als steden erin slagen om verschillende tijdlagen – soms letterlijk – over elkaar te leggen kunnen ze mooi oud worden. Nu lijkt dat goed te gaan in Utrecht, met de chimaera’s, de singels en De Syp. Maar welbeschouwd is het nog maar de vraag in hoeverre hier bewust gemeentebeleid aan ten grondslag ligt. In het Utrechtse Coalitieakkoord en Omgevingsvisie lezen we over de leefbaarheid, betaalbaarheid en duurzaamheid van de stad, terwijl over schoonheid en herkenbaarheid met geen woord wordt gerept.

Rotterdam is al grotendeels ten prooi gevallen aan plaatsloosheid, terwijl Amsterdam meer en meer een museum wordt. Utrecht heeft nu nog de kans om de plaatsloosheid de pas af te snijden, met beleid waarin herkenbaarheid en schoonheid een prominente plek krijgen. Onze kersverse burgemeester, Sharon Dijksma, trok als wethouder in Amsterdam de conclusie dat het onderhoud van de langzaam afbrokkelende kades en bruggen in de hoofdstad jarenlang was achtergesteld omdat het “geen sexy onderwerp”  is. Wij roepen burgemeester Dijksma op deze passie voor het beschermen van erfgoed ook in Utrecht actief uit te dragen. •



<< terug naar overzicht